RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Breda zaak/rolnr.: 9351151 AZ VERZ 21-37 beschikking d.d. 20 september 2021 inzake de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Oosterhout, gevestigd te (4902 ZP) Oosterhout aan het adres Slotjesveld 1, verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek, verder te noemen: de werkgever, gemachtigde: mr. M.J.J. Rutten, advocaat te ’s-Hertogenbosch, tegen mr. [de werknemer], wonende te [woonadres] , verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek, verder te noemen: de werknemer, gemachtigde: mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat te De Meern. 1Het procesverloop 1.
- De werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Het verzoekschrift is op 20 juli 2021 ter griffie ontvangen. De werknemer heeft een verweerschrift ingediend, waarin diverse tegenverzoeken zijn opgenomen. 1.
- Op 17 september 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting zijn door beide partijen nog diverse stukken in het geding gebracht. Ter zitting is zijdens de werknemer een pleitnota met bijlage overgelegd. 2De beoordeling In de zaak van het verzoek en het tegenverzoek: 2.
- De werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt de werkgever, na wijziging van het oorspronkelijke verzoek, ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk is. 2.
- De werknemer heeft ter mondelinge behandeling erkend dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook de werknemer ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing. 2.
- Nu de werknemer heeft erkend dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het erover eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer. 2.
- Partijen zijn het erover eens dat de werknemer geen verwijt valt te maken van de voornoemde verstoring van de arbeidsverhouding. 2.
- Vervolgens zijn partijen het erover eens dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW moet worden ontbonden met ingang van 1 november 2021, zodat de kantonrechter daartoe zal overgaan. 2.
- Partijen zijn het er tot slot over eens dat de werknemer aanspraak heeft op een transitievergoeding van € 41.039,34 bruto en een billijke vergoeding van € 110.000,00 bruto. De werkgever zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoedingen. Daarnaast dient een passende regeling te worden vastgesteld conform artikel 10.24 van de CAO Gemeenten, ertoe strekkende dat aan werknemer een aanspraak toekomt op een werkloosheidsuitkering, alsmede een aanspraak op de bovenwettelijke uitkeringen zoals opgenomen in paragraaf 1, 2 en 3 van hoofdstuk 10 van de CAO Gemeenten. De kantonrechter zal de door partijen gevraagde verklaring voor recht dan ook toekennen. 2.
- De werkgever heeft ter zitting te kennen gegeven dat geen gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheid om het verzoek in te trekken. De werkgever hoeft daarom ook geen gelegenheid te krijgen voor intrekking. 2.
- Gelet op de uitkomst van de zaak van het verzoek, behoeven de tegenverzoeken in zoverre geen behandeling meer. 2.
- Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. 3De beslissing De kantonrechter: In de zaak van het verzoek: 3.
- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2021; 3.
- veroordeelt de werkgever om aan de werknemer op uiterlijk 30 november 2021 te betalen een transitievergoeding van € 41.039,34 bruto en een billijke vergoeding van € 110.000,00 bruto; 3.3 verklaart voor recht dat werknemer een aanspraak heeft op de bovenwettelijke uitkeringen krachtens het bepaalde in paragraaf 1, 2 en 3 hoofdstuk 10 CAO Gemeente, respectievelijk de aanvullende uitkering, de nawettelijke uitkering en de reparatiewetuitkering; In de zaak van het tegenverzoek: 3.
- constateert dat de verzoeken geen behandeling meer behoeven; In de zaak van het verzoek en het tegenverzoek: 3.
- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; 3.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.