← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:7110

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/984824-11 vonnis van de rechtbank d.d. 16 december 2021 in de ontnemingszaak tegen [veroordeelde] geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) wonende te [adres] raadsman: mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam 1De procedure [veroordeelde] is op 5 maart 2020 door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden voor (kort gezegd) beroepsmatige hennepteelt, bezit van hennep, hennephandel, diefstal, het bezit van een vuurwapen, witwassen en het leiding geven aan een criminele drugsorganisatie. Dit arrest is onherroepelijk geworden op 12 oktober

  1. De officier van justitie heeft bij vordering van 19 december 2019 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd voor een bedrag van € 3.262.708,-. Op 15 januari 2020 heeft de rechtbank een schriftelijke voorbereidingsprocedure bevolen. In dat kader hebben de officier van justitie en de raadsman ieder schriftelijke conclusies ingediend. Bij mail van 3 november 2021 heeft de officier van justitie, naar aanleiding van vragen van de rechtbank, een nadere toelichting gegeven en de vordering verlaagd tot € 2.923.314,-. De ontnemingsvordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 oktober 2021 en 8 november 2021, waarbij de officier van justitie mr. M.I. van den Heuvel en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter zitting de ontnemingsvordering toegelicht en deze verlaagd naar € 419.707,-. De officier van justitie stelt dat [veroordeelde] geen openheid van zaken heeft willen geven over zijn verdiensten en dat om die reden een schatting daarvan is gemaakt. Er is een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) uitgevoerd en op basis daarvan is een vermogensvergelijking of uitgebreide kasopstelling opgesteld. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank is deze gewijzigd in een eenvoudige kasopstelling. Met die kasopstelling is aannemelijk gemaakt dat [veroordeelde] over onverklaarbaar vermogen beschikte. Hierbij is uitgegaan van de periode 1 januari 2006 tot en met 24 januari
  2. Het onderzoeksteam heeft de contante geldstromen onderzocht. Op basis van het beginsaldo aan contant geld, de legale contante ontvangsten en het eindsaldo, is berekend dat er € 118.488,- beschikbaar was voor contante uitgaven. De werkelijke gedane contante uitgaven zijn berekend op € 538.195,-. De officier van justitie stelt daarmee dat [veroordeelde] € 419.707,- meer heeft uitgegeven dan hij legaal heeft ontvangen en dat dit het bedrag is waarop de vordering is gebaseerd. Daarop dient nog de opbrengst van de verbeurd verklaarde Mercedes (€ 2.605,-) in mindering te worden gebracht, zodat de officier van justitie vraagt de betalingsverplichting vast te stellen op € 417.102,-. Tot slot verzoekt de officier van justitie de duur van de gijzeling op grond van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering vast te stellen op 1080 dagen. 3Het standpunt van de verdediging De verdediging is primair van mening dat de vordering moet worden afgewezen. [veroordeelde] ontkent dat hij wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Hij is sinds 1985 ondernemer en heeft uit zijn ondernemingen in de horeca, woningverhuur en een bouwbedrijf in Turkije substantiële contante gelden vergaard en opgespaard. Subsidiair verzoekt de raadsman de vordering te matigen omdat een aantal posten onjuist zijn. De Mercedes [kenteken 1] moet worden gewaardeerd op € 7.000, dat is het bedrag dat [veroordeelde] daarvoor contant betaald heeft. Voor de Porsche 911 moet worden uitgegaan van € 6.100 aanschaf plus € 3.500 aan reparatiekosten. [veroordeelde] heeft niets te maken met de Mercedes [kenteken 2] en betwist de uitgaven aan het dwangbevel van de gemeente Tilburg en een leenovereenkomst, zodat deze bedragen buiten de berekening moeten worden gelaten. Verder stelt de raadsman dat de redelijke termijn met bijna acht jaar is overschreden. Om die reden verzoekt hij de betalingsverplichting te verminderen met 5%. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1 De grondslag van de vordering De officier van justitie baseert haar ontnemingsvordering op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van deze bepaling kan plaatsvinden als: - betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf van geldboete van de vijfde categorie en - aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Met de veroordeling door het gerechtshof is aan de eerste voorwaarde voldaan. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of op basis van het SFO aannemelijk is geworden dat de bewezenverklaarde feiten of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. 4.2 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Het is een feit van algemene bekendheid dat met hennepteelt en hennephandel grote bedragen verdiend kunnen worden. Gezien de onherroepelijke veroordeling van [veroordeelde] voor onder andere deze feiten (op grote schaal) is het op voorhand aannemelijk dat hij wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Nu [veroordeelde] geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn verdiensten, moeten die worden geschat. De officier van justitie heeft hiervoor gebruik gemaakt van een eenvoudige kasopstelling op basis van een SFO naar de contante geldstromen over 2006-
  3. Dit is een in de rechtspraak aanvaarde methode om het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten en de rechtbank zal dit dan ook tot uitgangspunt nemen. De rechtbank is van oordeel dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de feiten waarvoor hij is veroordeeld en/of andere strafbare feiten. Zij baseert dit oordeel op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de rapportage vermogensvergelijking van 24 maart 2015, die in het kader van het SFO is opgesteld, en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van dat voordeel. [veroordeelde] ontkent dat hij wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Hij betwist de kasopstelling, omdat hij, naar zijn zeggen, uit zijn ondernemingen in de horeca en woningverhuur substantiële contante gelden heeft vergaard en opgespaard. De rechtbank verwerpt dit verweer. Dat [veroordeelde] in het verleden actief is geweest als ondernemer in de horeca staat op zich wel vast, maar de stelling dat hij over substantiële (contante) gelden uit zijn horeca-ondernemingen beschikte, is op geen enkele manier onderbouwd. Dit strookt ook niet met zijn belastingaangiften, waarin nimmer contant geld is aangegeven. De inkomsten uit verhuur van zijn panden zijn reeds in de kasopstelling meegenomen. Daarnaast heeft [veroordeelde] nog gesteld dat hij in Turkije geld heeft verdiend met bouwactiviteiten. Het enige wat ter onderbouwing daarvan is overgelegd, is een soort algemene intentieovereenkomst uit 2005 met een bouwbedrijf over te bouwen huizen in de [plaats] . Maar verder ontbreekt iedere onderbouwing met financiële stukken. [veroordeelde] heeft in dit verband aangevoerd dat het niet mogelijk is om meer bewijsstukken over te leggen, omdat het gaat over een periode in het verre verleden, maar de rechtbank gaat hieraan voorbij. [veroordeelde] is op 25 januari 2012 ervan op de hoogte gesteld dat een SFO was gestart. Het lag op zijn weg om in ieder geval vanaf die datum alle financiële bewijsstukken waarover hij beschikte te bewaren, nog los van de wettelijke bewaartermijn van administratie van tenminste zeven jaar voor bedrijven en zelfstandigen. 4.2.1 De eenvoudige kasopstelling De rechtbank zal vervolgens de posten van de eenvoudige kasopstelling bespreken. 4.2.1.1 Beginsaldo contant geld Het beginsaldo aan contanten op 1 januari 2006 is door de officier van justitie op nihil gesteld. [veroordeelde] heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. [veroordeelde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het contante geld dat op 24 januari 2012 is aangetroffen, ook al op 1 januari 2006 aanwezig was. In dit verband wijst de officier van justitie er terecht op dat [veroordeelde] in zijn belastingaangiftes nimmer contant geld heeft opgegeven. Wat de beweerde contante gelden uit de bedrijven van [veroordeelde] betreft, verwijst de rechtbank naar de overwegingen onder 4.
  4. 4.2.1.2 Contante legale ontvangsten De maximaal te ontvangen huur voor de door [veroordeelde] verhuurde panden is berekend op € 380.
  5. Daarop is in mindering gebracht een bedrag van € 264.917 aan huur dat giraal is ontvangen. Deze berekening is niet betwist. Ook de ontvangen contante bedragen uit de verkoop van een Mercedes (€ 22.500) en bankopnames (€ 60.200) zijn niet betwist. 4.2.1.3 Eindsaldo contant geld In de kasopstelling is als eindsaldo contant geld op 24 januari 2011 € 80.120 opgenomen, het bedrag aan euro’s dat is aangetroffen bij [veroordeelde] thuis en in een safeloket. Daarbij is echter over het hoofd gezien dat er ook nog 515 Turkse Lira zijn aangetroffen. Omgerekend in euro’s (/ 2,2) is dat € 234, zodat het totale eindsaldo aan contant geld € 80.354 bedraagt. 4.2.1.4 Stortingen Nederlandse bankrekeningen Het bedrag aan contante stortingen op Nederlandse bankrekeningen van in totaal € 321.641 is niet betwist. 4.2.1.5 Stortingen bankrekeningen Turkije In de eerste uitgebreide kasopstelling was een bedrag van € 2.241.722 opgenomen aan contante stortingen op diverse Turkse bankrekeningen van [veroordeelde] en zijn [echtgenote] . Naar aanleiding van vragen van de rechtbank hierover is van de zijde van de officier van justitie op de zitting van 8 november 2021 erkend dat een aantal posten in de berekening op pagina 866 van het dossier niet correct is, of onvoldoende onderbouwd. Zo zijn ook een aantal kasopnames hierin niet meegenomen. Na deze correcties resteerde nog ongeveer € 8.
  6. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de onderliggende stukken onvoldoende dat bij de in de berekening opgenomen openingssaldi van rekeningen sprake is geweest van stortingen van contante geldbedragen. Verder constateert de rechtbank dat er meerdere keren geld van de ene naar de andere (deposito)rekening is geschoven, wat een kans op dubbeltellingen oplevert. Al met al is de gang van zaken rond contante stortingen en opnames op Turkse bankrekeningen naar het oordeel van de rechtbank te onduidelijk om deze mee te kunnen nemen in de kasopstelling. Verder blijkt uit de stukken weliswaar dat [veroordeelde] een rekening had bij de Halkbank, met op een bepaald moment een saldo van € 751.710, maar een saldo is geen contant geld. Ook is op basis van het dossier niet vast te stellen of hier contante stortingen aan vooraf zijn gegaan, zoals in de ontnemingsrapportage wordt verondersteld. Dit bedrag dient dus eveneens buiten beschouwing te blijven. Dat geldt ook voor de rekeningen op naam van zijn [echtgenote] . In de eerste plaats is niet bekend of betrokkenen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en of deze rekeningen dus überhaupt in de kasopstelling kunnen worden betrokken. Ook is niets bekend over haar eventuele (eigen) inkomsten en/of vermogen. Bovendien geldt ook hier dat sprake lijkt te zijn van het verschuiven van geld van de ene naar de andere (deposito) rekening en dat de gang van zaken rond contante stortingen en opnames onduidelijk is. De conclusie is dan ook dat de (stortingen op) Turkse bankrekeningen buiten de kasopstelling moeten worden gelaten. 4.2.1.6 aankoop Mercedes [kenteken 1] In 2007 heeft [veroordeelde] het aankoopbedrag van € 62.500 voor een Mercedes Benz type ML 320 GDI met kenteken [kenteken 1] contant betaald, in twee delen. De enkele stelling van [veroordeelde] dat hij slechts € 7.000 contant zou hebben bijbetaald, is niet met stukken onderbouwd, zodat dit verweer wordt verworpen. [veroordeelde] verwijst hierbij ook naar de ontvangen contanten voor de inruil van een andere Mercedes, maar de rechtbank wijst erop dat dat bedrag (€ 22.500) reeds is opgenomen in de berekening onder contante ontvangsten (zie onder 4.2.1.2). 4.2.1.7 aankoop & herstel Porsche [kenteken 3] [veroordeelde] heeft in 2011 een Porsche, type 911 Carrera 4S, aangeschaft. De officier van justitie heeft in de kasopstelling hiervoor een bedrag van € 21.220 opgenomen. Dat is de taxatiewaarde van de Porsche volgens de Dienst Domeinen van het Ministerie van Financiën. Daarbij wijst de officier van justitie erop dat dit bedrag ligt tussen het bedrag dat [veroordeelde] zelf als aankoopbedrag aan de verzekering heeft doorgegeven (€ 45.000) en de aankoop- en herstelkosten (respectievelijk € 6.100 en € 3.500) die [veroordeelde] zegt te hebben gemaakt. De rechtbank stelt voorop dat het bij een eenvoudige kasopstelling niet gaat om de waarde van deze auto, maar om het bedrag in contanten dat [veroordeelde] eraan heeft uitgegeven. Voor de rechtbank staat vast dat dit een schadeauto betrof, die [veroordeelde] in Duitsland heeft gekocht en vervolgens samen met een ander heeft opgeknapt. De rechtbank ziet onvoldoende reden om te twijfelen aan de bij [veroordeelde] aangetroffen factuur van € 6.100 voor de aanschaf. Verder gaat de rechtbank uit van het bedrag dat [veroordeelde] zelf zegt te hebben uitgegeven aan herstelkosten (€ 3.500), nu enige andere aanwijzing hierover ontbreekt. 4.2.1.8 aankoop Mercedes [kenteken 2] Uit de stukken blijkt dat [veroordeelde] in 2011 een Mercedes Benz ML 320 CDI met kenteken [kenteken 2] heeft gekocht van [bedrijf 1] . Uit stukken van dit bedrijf blijkt verder dat [veroordeelde] , na inruil van een andere auto, € 25.950 moest bijbetalen. Hij heeft € 10.000 per bank betaald en het resterende bedrag van € 15.950 contant. De enkele stelling van [veroordeelde] dat hij niets met deze auto te maken heeft, is geen reden om dit bedrag buiten de kasopstelling te laten. 4.2.1.9 Bijbetaling Mercedes [kenteken 4] Bij de aankoop van een Mercedes Benz met kenteken [kenteken 4] in 2008 heeft [veroordeelde] € 1.500 contant bijbetaald. Dit is niet betwist. 4.2.1.10 dwangbevel Uit de stukken blijkt afdoende dat [veroordeelde] in 2009 een bedrag van € 7.064 contant heeft betaald aan de gemeente Tilburg in verband met een dwangbevel. De enkele, niet verder onderbouwde, betwisting door [veroordeelde] is onvoldoende om dit bedrag niet mee te nemen. 4.2.1.11 Lening [bedrijf 2] Hetzelfde geldt voor de lening van € 100.000 aan [bedrijf 2] . Het dossier bevat een ondertekende overeenkomst van geldlening, een stortingsbewijs waaruit is op te maken dat [veroordeelde] op 8 december 2006 € 100.000 heeft gestort op de bankrekening van [bedrijf 2] én een bankafschrift van de rekening van [bedrijf 2] d.d. 29 december 2006, waarop een kasstorting is te zien van € 100.
  7. 4.2.2 Conclusie Het bovenstaande leidt tot de volgende eenvoudige kasopstelling. Beginsaldo contant geld 01-01-2006 € 0 Contante legale ontvangsten Huurontvangsten berekend € 380.825 Giraal ontvangen huur - € 264.917 Contant ontvangen huur € 115.908 Verkoop Mercedes [kenteken 5] € 22.500 Contante bankopnamen € 60.200 Eindsaldo contant geld 24-01-2012 - € 80.354 Beschikbaar voor contante uitgaven € 118.254 Contante uitgaven stortingen bankrekeningen Nederland € 321.641 aankoop Mercedes [kenteken 1] € 62.250 aankoop & herstel Porsche € 9.600 aankoop Mercedes [kenteken 2] € 15.950 bijbetaling Mercedes [kenteken 4] € 1.500 dwangbevel € 7.064 lening [bedrijf 2] € 100.000 Totale contante uitgaven € 518.005 Wederrechtelijk verkregen voordeel € 399.751 De rechtbank concludeert dat [veroordeelde] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 januari 2012 veel meer contante uitgaven heeft gedaan, dan er aan contant geld beschikbaar was. Gelet hierop schat de rechtbank het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel op dat verschil van € 399.751,-. 4.3 Vaststelling ontnemingsbedrag 4.3.1 Redelijke termijn Bij het verhoor op 25 januari 2012 is aan [veroordeelde] medegedeeld dat in het kader van het SFO een voorlopige berekening is gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit als aanvangsdatum voor de redelijke termijn te worden genomen. Deze uitspraak is op 16 december 2021, dat is bijna 10 jaar later. In de strafzaak is de redelijke termijn bepaald op 2,5 jaar. De rechtbank ziet geen reden om daar in deze ontnemingsprocedure anders over te denken. Dit betekent dat de redelijke termijn met bijna 7,5 jaar is overschreden. Deze overschrijding dient te leiden tot een korting op het ontnemingsbedrag. Volgens vaste jurisprudentie bedraagt die korting in beginsel niet meer dan € 5.000,-. Omdat hier sprake is van een uitzonderlijk lange overschrijding, bepaalt de rechtbank de korting op € 10.000,-. 4.3.2 Opbrengst verbeurd verklaarde goederen In de hoofdzaak is een Mercedes personenauto verbeurd verklaard. De opbrengst van de verkoop (€ 2.605,-) wordt in mindering gebracht op het te betalen bedrag. 4.3.3 Conclusie De rechtbank zal het te betalen bedrag vaststellen op € 387.146,- en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen. 5De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 6De beslissing De rechtbank: stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 399.751,-; legt [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de staat van € 387.146,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1080 dagen; wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Breeman, voorzitter, mr. M. van de Wetering en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.J.E.M. Hoezen en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 december
  8. De griffier is verhinderd om dit vonnis te ondertekenen. Met de hieronder vermelde paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar pagina’s van het Onderzoek Colt SFO. Pagina 848-852 Pagina 877 Pagina 857-858 Pagina 862 Pagina 862 Pagina 873 Pagina 874-877 Pagina 877-878 Pagina 877 Pagina 880 + Pagina 108-115 van procesdossier Sneeuwuil Pagina 882 Pagina 123 van procesdossier Sneeuwuil Pagina 124 van procesdossier Sneeuwuil Pagina 1227-1228

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.