← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:7111

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/984812-11 vonnis van de rechtbank d.d. 16 december 2021 in de ontnemingszaak tegen [veroordeelde] geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman: mr. G.J. Woodrow, advocaat te [plaats 3] 1De procedure [veroordeelde] is op 5 maart 2020 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor (kort gezegd) het medeplegen van beroepsmatige hennepteelt, hennephandel, voorhanden hebben van hennep, witwassen en het leiding geven aan een criminele organisatie. Dit arrest is onherroepelijk geworden op 12 oktober 2021. De officier van justitie heeft bij vordering van 19 december 2019 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd voor een bedrag van € 1.276.649,00. Op 15 januari 2020 heeft de rechtbank een schriftelijke voorbereidingsprocedure bevolen. In dat kader hebben de officier van justitie en de raadsman ieder schriftelijke conclusies ingediend. De ontnemingsvordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 oktober 2021 en 8 november 2021, waarbij de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter zitting de vordering bijgesteld; zij stelt zich op het standpunt dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ter hoogte van € 1.076.758,75 en vordert de ontneming van dat bedrag. Zij verzoekt de duur van de mogelijke gijzeling ten behoeve van de tenuitvoerlegging te bepalen op 1080 dagen. Er zijn voldoende aanwijzingen in het dossier voor betrokkenheid van [veroordeelde] bij de hennephandel vanuit [bedrijf 1] B.V . (hierna: [bedrijf 1] ) in 2007 en 2008, waarbij hij persoonlijk heeft meegedeeld in de winst. De berekening van het verkregen voordeel op basis van extra- en interpolatie is op een zorgvuldige manier gebeurd en voldoet aan de eisen die daaraan in de jurisprudentie worden gesteld. Vrijspraak voor een specifieke hennepkwekerij ( [hennepkwekerij 1] ) hoeft niet in de weg te staan aan het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel, als er in diezelfde periode wel deelname aan de criminele organisatie bewezen is verklaard. Voor de opbrengst van de overige kwekerijen geldt dat [veroordeelde] nalaat om concreet en gemotiveerd zijn verhaal te doen. Het aantal eerdere oogsten en de opbrengst daarvan is goed onderbouwd in de ontnemingsrapportage. Een herberekening van het voordeel bij de kwekerij in [plaats 1] ( [hennepkwekerij 2] ), heeft zelfs tot een verhoging van het verkregen voordeel geleid. Voor de kwekerij aan de [adres 1] ( [hennepkwekerij 3] ) geldt dat de verdediging terecht heeft aangevoerd dat er geen eerdere oogst kan hebben plaatsgevonden. 3Het standpunt van de verdediging De verdediging is primair van mening dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen en subsidiair dat het te betalen bedrag gematigd dan wel op nihil gesteld moet worden. [veroordeelde] heeft in 2007 en 2008 geen wederrechtelijk verkregen voordeel genoten. Er zijn geen concrete aanknopingspunten voor betrokkenheid van [veroordeelde] bij de hennephandel in 2007 en 2008. Het feit dat hij in die periode medebestuurder van [bedrijf 1] is geweest, is daarvoor onvoldoende. In de zwarte ordner komt de naam [veroordeelde] niet voor, anders dan de ontnemingsrapportage noemt, en dat met ‘ [veroordeelde] ’ [veroordeelde] wordt bedoeld, wordt op geen enkele wijze ondersteund. De wijze van berekening van het voordeel door extrapolatie is bovendien onjuist, omdat deze is gebaseerd op een niet-representatieve referentieperiode. Voor de periode januari tot en met 21 november 2011 geldt het volgende. Er is vrijspraak gevolgd voor de kwekerij aan de [adres 2] ( [hennepkwekerij 1] ). Bij de [adres 3] ( [hennepkwekerij 4] ) kan hooguit sprake zijn van twee eerdere oogsten. Bij de [adres 4] ( [hennepkwekerij 5] ) is geen eerdere oogst en dus geen voordeel geweest. Aan het [adres 5] ( [hennepkwekerij 6] ) kan ook niet worden vastgesteld dat er een eerdere oogst is geweest en bij de [adres 1] ( [hennepkwekerij 3] ) is het zelfs niet mogelijk dat er een eerdere oogst is geweest. Bij de [adres 6] ( [hennepkwekerij 2] ) ontbreekt onderbouwing voor meer dan één oogst. Dit alles dient te leiden tot een lager behaald wederrechtelijk verkregen voordeel. De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van de op te leggen betalingsverplichting. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1 De grondslag van de vordering De officier van justitie baseert haar ontnemingsvordering op artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval te worden uitgegaan van de wettekst zoals die luidde tot 1 juli 2011, omdat het overgrote deel van de ontnemingsvordering betrekking heeft op de periode voor die datum. Overigens heeft dit, zoals ter zitting is besproken, in dit geval feitelijk geen gevolgen. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van dat artikellid kan plaatsvinden als betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is veroordeeld of soortgelijke strafbare feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door hem zijn begaan. [veroordeelde] is veroordeeld voor onder andere hennepteelt, hennephandel en deelname aan een criminele organisatie. Dit zijn allemaal strafbare feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, zodat aan de formele voorwaarden voor ontneming is voldaan. De ontnemingsvordering is gebaseerd op twee onderdelen: voordeel uit hennephandel en voordeel uit hennepkwekerijen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of [veroordeelde] voordeel heeft genoten uit de bewezenverklaarde feiten en of er voldoende aanwijzingen bestaan dat hij daarnaast ook soortgelijke strafbare feiten heeft begaan en in hoeverre hij daaruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. 4.2 Schatting van het voordeel uit hennephandel 4.2.1 Soortgelijke strafbare feiten [veroordeelde] is in de hoofdzaak onder meer veroordeeld voor beroepsmatige hennepteelt, hennephandel en het leidinggeven aan een criminele organisatie, die zich bezighield met handel in hennep en de exploitatie van hennepkwekerijen (Colt II). De ontnemingsvordering is wat de hennephandel betreft niet gebaseerd op voordeel uit deze feiten, maar uit soortgelijke strafbare feiten (hennephandel) die zijn gepleegd door een andere criminele organisatie (Colt I). Die criminele organisatie had als centrum het bedrijfspand van [bedrijf 1] en werd geleid door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [veroordeelde] is niet vervolgd voor deelname aan deze criminele organisatie. De vraag is of er voldoende aanwijzingen zijn dat [veroordeelde] strafbare feiten heeft gepleegd binnen de criminele organisatie van Colt I en of hij daar wederrechtelijk voordeel uit heeft verkregen. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat [veroordeelde] voor 50% aandeelhouder en algemeen directeur is geweest van [bedrijf 1] , van 12 april 2007 tot 27 november 2008. Zoals het hof ook heeft overwogen, fungeerde [bedrijf 1] feitelijk als dekmantel voor de hennephandel. Dit vormt een sterke aanwijzing dat [veroordeelde] mede-organisator was van die hennephandel en daar dus ook voordeel uit heeft genoten. Daarnaast is [veroordeelde] door het hof ook veroordeeld voor het medeplegen (met [medeverdachte 1] en [bedrijf 1] ) van witwassen van een groot geldbedrag in de jaren 2007-2008. Bovendien bevat de administratie in de ‘groene ordner’, gevonden bij [medeverdachte 1] thuis, concrete aanwijzingen voor zijn betrokkenheid, ook in 2008. Zo is de naam [veroordeelde] verschillende keren vermeld in die ordner, al dan niet afgekort tot ‘ [veroordeelde] ’. De rechtbank heeft geen twijfel dat hiermee [veroordeelde] wordt bedoeld. Op pagina 172 van de groene ordner staat onder het kopje “Wat met [veroordeelde] moet worden verrekend” onder meer: “Geld van [naam 1] aan [veroordeelde] gegeven 20-05-08” en “Aan [veroordeelde] gegeven € 1000 0809-08 zal worden verrekend”. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook voldoende aanwijzingen dat [veroordeelde] in de gehele periode waarin hij aandeelhouder en directeur van [bedrijf 1] was, betrokken was bij de hennephandel vanuit [bedrijf 1] . Het is een feit van algemene bekendheid dat met hennephandel hoge illegale inkomsten worden gegenereerd. De rechtbank stelt voorop dat door geen van de deelnemers aan de criminele organisatie van Colt I, en evenmin door [veroordeelde] , inzicht is gegeven in de illegaal verkregen inkomsten. De rechtbank zal deze dan ook moeten schatten. De officier van justitie heeft hiervoor gebruik gemaakt van een berekening van de verdiensten uit de hennephandel over de periode van 1 maart 2007 tot 21 november 2011. 4.2.2 Periode waarin strafbare feiten zijn gepleegd 21 maart 2011 tot en met 21 november 2011 Het gerechtshof heeft bewezen verklaard dat de criminele organisatie in Colt I actief was in de periode van 21 maart 2011 tot en met 21 november 2011. De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat in ieder geval in die periode illegale inkomsten uit onder andere hennephandel zijn genoten. Periode 1 maart 2007 tot en met 20 maart 2011 De rechtbank acht het aannemelijk dat deze criminele organisatie ook actief was vóór 21 maart 2011 en wijst daarbij op het volgende. In de in beslag genomen administratie van [bedrijf 1] bevond zich een zwarte ordner. Aannemelijk is dat een deel van die administratie betrekking heeft op handel in hennep. Zo bevindt zich in deze ordner een stuk dat betrekking heeft op de inkoop van hennep in juni, juli en begin augustus 2007. Daaruit blijkt dat sprake is van inkoop van hennep op grote schaal. Er wordt gesproken over ‘bestellingen’ bij een ‘bouwbedrijf’, die worden beschreven als ‘bestelling totaal m2’ met een ‘prijs per m2’. Om wat voor goederen het gaat is niet vermeld. In de administratie van [bedrijf 1] over 2007 is verder geen enkele aanwijzing aangetroffen die verband houdt met ingekochte vierkante meters van welk goed dan ook. Voor de rechtbank staat vast dat hier sprake is van versluierd taalgebruik, waarbij ‘bestelling totaal m2’ ziet op het aantal kilo’s hennep, ‘prijs per m2’op de prijs per kilogram (hierna:

  1. kg)en de 'totaal prijs’ op wat voor de hennep per zending in totaal is betaald. Gezien de inkoopprijs per kg hennep, tussen de € 675 en € 825, betreft het natte hennep, die na droging door de organisatie wordt verkocht. Uit dit stuk blijkt wel dat al in 2007 sprake was van omvangrijke handel in hennep vanuit [bedrijf 1] : in ruim anderhalve maand (juni-augustus 2007) wordt voor ruim € 164.000 meer dan 200 kg hennep ingekocht. Er zijn dus voldoende aanwijzingen dat in drie maanden in 2007 en vanaf eind maart 2011 omvangrijke hennephandel plaatsvond vanuit [bedrijf 1] . De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de hennephandel in de tussenliggende jaren heeft stilgelegen, aangezien [bedrijf 1] feitelijk als dekmantel fungeerde, zoals het hof ook heeft overwogen. Bovendien bevat het dossier veel meer aanwijzingen voor grootschalige hennephandel in de jaren 2007-2011. Een kleine bloemlezing: - Ook in 2008 worden grote partijen hennep verhandeld. Zo komt uit de gegevens in het ‘spiraalblok’, gevonden in het bedrijfspand van [bedrijf 1] , naar voren dat in de maand juli 2008 in twee weken tijd voor bijna € 50.000 aan hennep wordt ingekocht en in drie weken 43,8 kg wordt verkocht voor ruim € 127.000. - De ‘witte ordner’ uit de administratie van [bedrijf 1] bevat berekeningen met betrekking tot hennephandel in de periode eind oktober – begin november 2009. In twee weken tijd wordt onder meer 162,3 kg natte hennep ingekocht voor € 129.956 en 30 kg droge hennep verkocht voor € 87.000. - In de ‘groene ordner’, gevonden bij [medeverdachte 1] (mede-eigenaar [bedrijf 1] ), is sprake van een verkoop op 4 oktober 2010 van 4 kg voor € 14.000, een prijs die past bij droge hennep. - In januari 2010 is in het pand van [bedrijf 1] bijna 78 kg hennep aangetroffen. - In de ‘zwarte ordner’ worden in een ander stuk twee verkochte partijen hennep in augustus en november 2010 beschreven, die vermoedelijk aan ene [persoon 1] en via [persoon 2] (vermoedelijk [medeverdachte 2] ) aan ene [persoon 3] uit [plaats 2] zijn verkocht. - In weer een ander stuk uit dezelfde ordner gaat het om een partij verkochte hennep in oktober 2010, met een verkoopprijs van € 35.600, die verschuldigd is aan ‘ [medeverdachte 1] ’, vermoedelijk [medeverdachte 1] . De afkortingen [organisatie] en BW staan vermoedelijk voor de kwaliteit van de hennep, te weten Amnesia en Black Widow. - Ook de zogenaamde ‘broekzakadministratie’ van [medeverdachte 1] bevat aanwijzingen voor handel in hennep in 2009, 2010 en 2011. Conclusie Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ruim voldoende aanwijzingen dat in de gehele periode van 1 maart 2007 tot 21 november 2011 door de criminele organisatie rond [bedrijf 1] strafbare feiten zijn gepleegd (hennephandel) waarmee illegale inkomsten zijn gegenereerd. 4.2.3 Periode 1 maart 2011 tot en met 23 juni 2011 [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn echter in de hoofdzaak partieel vrijgesproken van hennephandel in de periode 1 maart 2011 tot en met 23 juni 2011. De officier van justitie stelt dat desondanks over deze periode ontneming mogelijk is, omdat sprake is van een criminele organisatie en wijst daarbij op jurisprudentie. De verdediging betwist dit. Hoewel er zeker aanwijzingen zijn dat ook in deze periode hennephandel heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat over deze periode geen ontneming kan plaatsvinden. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voortdurend het voortouw hebben genomen bij de hennephandel. Gelet hierop en de ondergeschikte rol van de andere deelnemers aan de criminele organisatie, acht de rechtbank het niet goed denkbaar dat de andere deelnemers zonder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] handel zouden hebben gevoerd en dat de criminele organisatie daaruit voordeel zouden hebben genoten. Er zijn weliswaar ook voldoende aanwijzingen dat de criminele organisatie in die periode ook hennepkwekerijen heeft geëxploiteerd, waaruit inkomsten zijn verkregen, maar de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de officier van justitie bij dit onderdeel van de vordering volledig en uitsluitend gebaseerd op inkomsten uit hennephandel en niet op inkomsten uit hennepkwekerijen. In het licht van het Geerings-arrest is de rechtbank dan ook van oordeel dat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van de periode van 1 maart 2007 tot 21 november 2011, met uitzondering van de periode 1 maart 2011 tot en met 23 juni 2011. 4.2.4 Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel Voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank de berekeningen in de ontnemingsrapportage als uitgangspunt genomen. Bij de berekening van het totale voordeel verkregen door de criminele organisatie in de jaren 2007-2011 heeft de officier van justitie de methodes van extrapoleren in interpoleren toegepast, gebaseerd op berekeningen van het voordeel in juni-augustus 2007 en in de periode vanaf 24 juni 2011. Anders dan de verdediging, acht de rechtbank de berekening van het voordeel door middel van extrapolatie en interpolatie in dit geval voldoende betrouwbaar. Zij wijst daarbij in de eerste plaats op wat onder 4.2.2 is overwogen: er zijn ruim voldoende aanwijzingen dat gedurende de gehele periode sprake is geweest van hennephandel op grote schaal. Verder zijn de berekeningen in de ontnemingsrapportage inzake de genoemde periodes in 2007 en 2011 uitgebreid onderbouwd. 2007 Voor de berekening van het voordeel in 2007 is uitgegaan van de informatie over de periode van 18 juni tot en met 7 augustus 2007 die naar voren komt uit de zwarte ordner. In die periode van 51 dagen is 208,8 kg natte hennep ingekocht. Omgerekend naar een heel jaar is dat 208,8 kg : 51 dagen x 365 dagen = 1.494,353 kg natte hennep per jaar. Na droging blijft 27% over, dus 403,475 kg droge hennep. De inkoopprijs per kg natte hennep bedroeg gemiddeld € 787 en de verkoopprijs per kg droge hennep € 3.280. Dit levert de volgende berekening op: Verkoop 403,475 kg droge hennep x € 3.280 = € 1.323.398 Inkoop 1.494,353 kg natte hennep x € 787 = € 1.176.055Winst heel jaar € 147.343 De winst over de periode van 1 maart 2007 tot en met 31 december 2007 bedraagt dan 10/12e = € 122.785,00 (afgerond). 2011 De rechtbank kan zich met betrekking tot 2011 in grote lijnen vinden in de wijze van berekenen in de ontnemingsrapportage, zij het met enkele correcties. De belangrijkste is dat het voordeel - conform overweging 4.2.3 - alleen wordt berekend over de periode 24 juni tot 21 november 2011 (150 dagen) en januari en februari 2011 (59 dagen). Hoeveelheid hennep per verpakkingseenheid Aan de hand van de inbeslaggenomen partijen hennep is een berekening gemaakt van het gemiddelde aantal kilogrammen hennep per verpakkingseenheid. Deze 25 verpakkingseenheden wogen in totaal 159 kg, dat is afgerond 6,4 kg per stuk. Periode 1 Uitgangspunt is de zogenaamde periode 1, de 81 dagen waarop er in processen-verbaal daadwerkelijk aantallen (kan ook nihil zijn) verpakkingseenheden hennep zijn beschreven, zowel aan de hand van versneld als niet versneld uitgekeken beelden van [bedrijf 1] . Het totaal van de verhandelde hoeveelheid hennep op deze 81 dagen is: 292 verpakkingseenheden x 6,4 kg 1.869 kg 1 zak hennep 07-08-2011 2 kg 3 sporttassen hennep 12-09-2011 33 kg totaal 1.904 kg In het voordeel van betrokkene zal de rechtbank bij de verdere berekeningen uitgaan van (naar beneden afgerond) 23 kg per dag. Periode 2 Periode 2 betreft de 39 dagen waarop volgens de versneld uitgekeken beelden wel sprake is van hennephandel vanuit [bedrijf 1] , maar waarop het aantal verpakkingseenheden niet kon worden vastgesteld. Over twee dagen is wel een hoeveelheid bekend. Op 19 september 2011 ging het om 33 kg, zo blijkt uit de administratie, en op 30 september 2011om 15 kg, die in beslag is genomen. Anders dan de officier van justitie, houdt de rechtbank de hoeveelheden vanuit de stash aan de Ledeboerstraat en vanuit de woning van [medeverdachte 3] buiten deze berekening, omdat anders mogelijk sprake zou kunnen zijn van een dubbeltelling met de hoeveelheden vanuit het bedrijfspand van [bedrijf 1] . Voor die 39 dagen is de berekening als volgt: 19-09-2011 3 sporttassen hennep 33 kg 30-09-2011 2 sporttassen hennep 15 kg 37 dagen x 23 kg 851 kg totaal 899 kg Periode 3 In periode 3 worden hieraan nog 30 dagen toegevoegd, waarvan geen beelden zijn. Voor die dagen wordt uitgegaan van 23 kg per dag, dus in totaal 690 kg. Periode 4 Dit betreft de periode 1 januari tot en met 28 februari 2011. Ook hiervoor gaat de rechtbank uit van 23 kg per dag, dus in totaal 59 dagen maal 23 kg is 1.357 kg. 2011 Dit leidt tot de volgende berekening van de verhandelde hoeveelheid hennep over 2011 (periode 1 januari tot en met 28 februari en 24 juni tot 21 november 2011): periode 1 (81 dagen) 1.904 kg periode 2 (39 dagen) 899 kg periode 3 (30 dagen) 690 kg periode 4 (59 dagen x 23
  2. kg)1.357 kg Totaal (209 dagen) 4.850 kg Winst per kilogram Niet in geschil is dat de verkoopprijs van 1 kg droge hennep € 3.280 bedroeg. Voor de inkooprijs van 1 kg natte hennep zal de rechtbank, in het voordeel van betrokkene, uitgaan van € 787. Deze prijs is naar het oordeel van de rechtbank in de ontnemingsrapportage naar behoren toegelicht aan de hand van de administratie over 2007 in de zwarte ordner. Voor een hogere prijs, zoals door de verdediging bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding. Voor 1 kg droge hennep is 3,33 kg natte hennep nodig, immers het drogingspercentage is 30%. De kostprijs van een 1 kg droge hennep bedraagt dan 100/30 x € 787 = € 2.623,33. Dit leidt tot een winst per kg droge hennep van € 3.280 minus € 2.623,33 = € 656,67. Voordeel over 2011 Dit zou leiden tot een winst over 2011 van 4.850 kg x € 656,67 = € 3.184.849,50. Omdat er echter aanwijzingen zijn dat twee leveringen in september 2011 niet zijn betaald, voor een bedrag van € 137.600, wordt dit bedrag hierop in mindering gebracht. Het geschatte voordeel over 2011 (periode 1 januari tot en met 28 februari en 24 juni tot 21 november 2011) bedraagt dus € 3.047.249,50. 2008-2010 De omvang van de handel (en het voordeel) was in 2011 veel groter dan in 2007. Voor een schatting van het genoten voordeel over de jaren 2008 tot en met 2010 is gebruik gemaakt van interpolatie. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat deze methode geoorloofd is. De rechtbank gaat er, met de officier van justitie, van uit dat sprake is geweest van een geleidelijke groei van de hennephandel. Voor de berekening van het voordeel in de tussenliggende jaren is de winst over 2011 omgerekend naar een virtuele winst over een heel jaar: € 3.184.849,50 : 209 x 365 = € 5.562.057 (afgerond). De winst in een heel jaar 2007 zou € 147.343,00 bedragen (zie 4.2.4.1). Dat is een stijging van € 5.414.714,00 in 4 jaar, dus € 1.353.678,50 per jaar. Dit leidt tot de volgende berekening van het voordeel in de jaren 2008-2010: 2008 € 147.343,00 + € 1.353.678,50 = € 1.501.021,50 2009 € 1.501.021,50 + € 1.353.678,50 = € 2.854.700,00 2010 € 2.854.700,00 + € 1.353.678,50 = € 4.208.378,50 In 2010 moet hierop nog de opbrengst van de inbeslaggenomen 77,98 kg in mindering worden gebracht: 78 x € 3.820 = € 255.774,40. Het voordeel bedraagt dan € 3.952.604,10. 4.2.4.4 Totale voordeel over 2007-2011 Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel over de gehele periode van ontneming (1 maart 2007 tot 21 november 2011, met uitzondering van de periode 1 maart 2011 tot en met 23 juni 2011) bedraagt: 2007 € 122.785,00 2008 € 1.501.021,50 2009 € 2.854.700,00 2010 € 3.952.604,10 2011 € 3.047.249,50 Totaal € 11.478.360,10 4.3 De verdeling De rechtbank stelt voorop dat, mede gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van het voordeel dat een veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Indien er meerdere veroordeelden zijn – wat hier het geval is – én de omvang van dat voordeel van elk van de veroordeelden niet eenvoudig kan worden vastgesteld, zal op basis van alle bekende feiten en omstandigheden bepaald moeten worden welk deel van het totaal behaalde voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. 4.3.1 Genoten voordeel door de andere deelnemers Natuurlijke personen Door het hof is vastgesteld dat, naast [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , vijf andere natuurlijke personen hebben deelgenomen aan de criminele organisatie rond [bedrijf 1] : [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] . Naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangenomen dat ook zij een deel van de illegale verdiensten hebben genoten. Op basis van algemene ervaringsregels gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] als leidinggevenden verreweg het grootste deel ontvangen zullen hebben. De rechtbank schat het bedrag dat is toegekomen aan de andere vijf deelnemers op 5% van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit is een bedrag van € 573.918,01. [bedrijf 1] Ook [bedrijf 1] was een deelnemer aan de criminele organisatie. De rechtbank heeft het door [bedrijf 1] genoten voordeel bij vonnis van heden vastgesteld op € 102.894,09. Ook dit bedrag dient in mindering te worden gebracht op het totale voordeel, voordat dit over de leiders wordt verdeeld. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat dit voordeel indirect ook ten goede kwam aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] als aandeelhouders van [bedrijf 1] . [persoon 5] De officier van justitie heeft in haar berekening een deel van het voordeel toegerekend aan [persoon 5] , door op het totale voordeel het (op basis van een vermogensvergelijking berekende) voordeel van [persoon 5] in mindering te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat ten onrechte. [persoon 5] maakte immers geen onderdeel uit van de criminele organisatie die zich bezighield met hennephandel vanuit [bedrijf 1] (Colt I), maar van een andere criminele organisatie (Colt II). Uit het dossier blijkt ook niet dat [persoon 5] enig voordeel geeft genoten uit de hennephandel vanuit [bedrijf 1] . Daarom laat de rechtbank [persoon 5] verder buiten beschouwing. 4.3.2 Genoten voordeel door de leiders van de criminele organisatie De rechtbank heeft hiervoor het totale wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op € 11.478.360,10. Volgens schatting van de rechtbank is daarvan € 573.918,01 toegekomen aan de andere deelnemers en € 102.894,09 aan [bedrijf 1] . Dan resteert € 10.801.548,80 voor de leiders van de criminele organisatie. Een en ander is als volgt verdeeld over de jaren. totale voordeel deelnemers 5% [bedrijf 1] resteert 2007 € 122.785,00 € 6.139,25 € 1.100,67 € 115.545,08 2008 € 1.501.021,50 € 75.051,07 € 13.455,43 € 1.412.515,00 2009 € 2.854.700,00 € 142.735,00 € 25.590,05 € 2.686.374,95 2010 € 3.952.604,10 € 197.630,21 € 35.431,85 € 3.719.542,04 2011 € 3.047.249,50 € 152.362,48 € 27.316,09 € 2.867.570,93 totaal € 11.478.360,10 € 573.918,01 € 102.894,09 € 10.801.548,80 De officier van justitie heeft het voordeel pondspondsgewijs verdeeld over [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] en [veroordeelde] als de leiders van de criminele organisatie c.q. aandeelhouders van [bedrijf 1] , omdat zij geen openheid van zaken hebben gegeven en er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een concrete verdeling. [medeverdachte 1] is vanaf de oprichting van [bedrijf 1] op 12 april 2007 tot de ontbinding op 13 augustus 2015 voor 50% aandeelhouder en algemeen directeur geweest van [bedrijf 1] . [medeverdachte 7] is op 27 november 2008 aangetreden als mede-eigenaar (50% aandeelhouder) en algemeen directeur. [veroordeelde] is voor 50% aandeelhouder en algemeen directeur geweest van [bedrijf 1] , van 12 april 2007 tot 27 november 2008. Hij was dus de voorganger van [medeverdachte 7] . [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] en [veroordeelde] hebben geen openheid van zaken gegeven over hun verdiensten en de verdeling daarvan. De rechtbank overweegt dat uit het dossier weliswaar geen concrete verdeling van het voordeel blijkt, maar is van oordeel dat er wel voldoende aanknopingspunten zijn voor een (iets) andere verdeling dan de pondspondsgewijze verdeling die de officier van justitie voorstaat. Het hof heeft immers geconcludeerd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] beiden als leider van de criminele organisatie rond [bedrijf 1] konden worden gezien, waarbij [medeverdachte 1] de eerste man was en [medeverdachte 7] de tweede man. In dat licht bezien komt de rechtbank tot een verdeelsleutel van 60:40, waarbij zij ervan uitgaat dat 60% procent van de resterende winst is toegekomen aan [medeverdachte 1] en 40% aan [medeverdachte 7] en [veroordeelde] , evenredig tussen hen verdeeld naargelang de periode dat zij medeaandeelhouder waren. Het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 12 april 2007 tot 27 november 2008 bedraagt: 2007 € 115.545,08 2008 € 1.284.808,16 (€ 1.412.515,00 : 365 dagen x 332 dagen) € 1.400.353,24 Daarvan wordt 40% toegerekend aan [veroordeelde] , dat is € 560.141,30. 4.3.3 Conclusie De rechtbank schat het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennephandel in 2007-2008 op € 560.141,30. 4.4 Schatting van het voordeel uit hennepkwekerijen Het tweede onderdeel van de ontnemingsvordering ziet op wederrechtelijk voordeel dat [veroordeelde] volgens de officier van justitie heeft verkregen uit de exploitatie van een aantal hennepkwekerijen. Dit betreft zaken uit het onderzoek Colt II. 4.4.1 Hennepkwekerij [adres 2] (zaaksdossier [hennepkwekerij 1] ) Op 11 januari 2011 is in een woning aan de [adres 2] een hennepkwekerij ontdekt met in totaal 414 planten. Dit pand was eigendom van [veroordeelde] . [persoon 4] heeft verklaard dat hij de woning huurde van [veroordeelde] en dat hij de kwekerij zelf had opgezet. De rechtbank heeft [persoon 4] veroordeeld en [veroordeelde] vrijgesproken van het medeplegen van het telen van hennep, omdat daarvoor onvoldoende wettig bewijs voorhanden was. Naar het oordeel van de rechtbank staat de vrijspraak van [veroordeelde] evenwel niet in de weg aan ontneming van door [veroordeelde] verkregen voordeel uit deze hennepkwekerij. Voor de rechtbank staat namelijk vast dat deze hennepkwekerij werd geëxploiteerd door de criminele organisatie in Colt II, waarvan ook [persoon 4] deel uitmaakte, en die het oogmerk had op onder andere het telen van hennep. [veroordeelde] is door het hof veroordeeld voor het samen met [persoon 5] leiding geven aan deze criminele organisatie. Naar algemene ervaringsregels vloeit het voordeel in overwegende mate in de zakken van de leiders van een criminele organisatie. Nu er door [veroordeelde] en de andere deelnemers van de criminele organisatie geen enkele verklaring is gegeven over de verdeling van de opbrengst, acht de rechtbank het reëel om de helft van de opbrengst van deze kwekerij aan [veroordeelde] toe te rekenen. Er zijn diverse indicatoren voor eerdere oogsten aangetroffen in deze hennepkwekerij, met name flinke vervuiling en kalkaanslag. De officier van justitie gaat er daarom van uit dat er één eerdere oogst is geweest. Aan de hand van de in het zaaksdossier genoemde informatie en het BOOM-rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht; Standaardberekening en normen” is een berekening gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat voordeel is berekend op € 35.434,82. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanname van een eerdere oogst en de gemaakte berekening afdoende onderbouwd, zodat zij daarvan uitgaat. Het door [veroordeelde] uit deze hennepkwekerij genoten wederrechtelijk voordeel schat de rechtbank op de helft, te weten € 17.717,41. 4.4.2 Hennepkwekerij [adres 3] (deelonderzoek [hennepkwekerij 4] ) Op 11 januari 2011 werd in de woning aan de [adres 3] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De kwekerij was onderverdeeld in vier verschillende ruimten met in totaal 830 planten. Door de bewoonster [persoon 6] en haar (ex-)partner [persoon 7] is aan een verbalisant verteld dat zij van [veroordeelde] gratis in de woning mochten wonen, maar dat in de woning dan wel een hennepkwekerij zou komen. Zij zeiden ook dat zij door [veroordeelde] een schuld hadden bij de energiemaatschappij, die was opgelopen tot € 36.000,-. Bij een doorzoeking van het perceel [adres 7] (zaaksdossier [hennepkwekerij 7] ) is een alarmsysteem aangetroffen met een mobiele telefoon voorzien van een simkaart. Uit onderzoek bleek dat in het geheugen van deze simkaart het telefoon [telefoonnummer 1] opgeslagen stond. Dit telefoonnummer bleek gekoppeld te zijn geweest aan het IMEI-nummer van een van de mobiele telefoons in gebruik bij [veroordeelde] en [persoon 4] . Uit analyse van de opgevraagde verkeersgegevens van dit telefoonnummer bleek dat dit telefoonnummer contact heeft gehad met telefoonnummer [telefoonnummer 2] , dat in gebruik was bij [persoon 6] . Op 26 maart 2011 belt [persoon 6] (met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , dat op naam stond van [persoon 7]) naar [veroordeelde] , waarin zij zegt dat de nota van [bedrijf 2] € 33.000 is. Verder zegt [persoon 6] dat zij al eerder had gezegd dat in januari de meter eruit gehaald is en dat er geen gas en elektra meer is. [veroordeelde] geeft hierop aan dat hij het zelf gaat onderzoeken. Op 25 juni 2011 belt [veroordeelde] naar telefoonnummer [telefoonnummer 2] . [persoon 6] geeft bij [veroordeelde] aan dat de nota van [bedrijf 2] inmiddels € 35.000 is. Op 3 januari 2012 wordt [veroordeelde] gebeld door [persoon 6] . [persoon 6] zegt dat [persoon 8] ( [persoon 7] ) op 23 maart moet voorkomen voor [bedrijf 2] . Verder geeft ze aan dat de advocaatkosten nog open staan. [veroordeelde] zegt dat hij dit weet en dat hij binnenkort koffie komt drinken. Uit deze tapgesprekken kan worden geconcludeerd dat [persoon 6] en [veroordeelde] elkaar kennen en dat zij spreken over de schuld aan [bedrijf 2] als gevolg van de hennepkwekerij. Dit bevestigt wat [persoon 6] en [persoon 7] bij de politie hebben verteld over de rol van [veroordeelde] bij de hennepkwekerij in hun woning, zodat voor de rechtbank vast staat dat hij daarbij betrokken was. In de woning zijn diverse indicatoren voor eerdere oogsten aangetroffen, zoals sterke vervuiling van de koolstoffilters, kalkaanslag, verkleuring van de isolerende materialen en een zak met henneptoppen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook voldoende aanwijzingen dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft behaald door eerdere oogsten van deze hennepkwekerij. De officier van justitie gaat uit van vier eerdere oogsten, omdat uit de verdachten- en getuigenverhoren naar voren zou komen dat de kwekerij geheel 2010 in werking is geweest. De rechtbank constateert echter dat [persoon 6] en [persoon 7] hier niet eenduidig over verklaren. [persoon 6] verklaart dat zij in januari 2009 in de woning zijn getrokken en dat na een jaar de hennepkwekerij is gebouwd. Maar [persoon 7] heeft verklaard dat de hennepkwekerij is gebouwd in mei of juni 2010. De rechtbank gaat – in het voordeel van [veroordeelde] – uit van de verklaring van [persoon 7] en daarmee van drie eerdere oogsten waar wederrechtelijk voordeel mee is behaald. De door de politie gemaakte berekening, die de rechtbank onderschrijft, komt uit op een winst per oogst van € 70.892,28. De rechtbank schat daarom het door [veroordeelde] verkregen voordeel uit drie oogsten op € 212.676,84. 4.4.3 Hennepkwekerij [adres 4] (zaaksdossier [hennepkwekerij 5] ) Op 11 januari 2012 is in een woning aan de [adres 4] een hennepkwekerij met twee kweekruimtes aangetroffen. In de kweekruimtes stonden in totaal 224 kweekpotten met aarde. Verder is 32,5 kilogram aan henneptoppen aangetroffen, die lagen te drogen. Het hof heeft [veroordeelde] veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten en/of delen daarvan, waarbij hij een coördinerende rol had. In het pand zijn de volgende indicatoren aangetroffen voor eerdere oogsten: een laag stof op de kappen van de assimilatielampen, vervuiling van de koolstoffilters, een dikke laag kalkaanslag op het zeil en afvalbladeren en resten van hennepplanten op de vloer. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het pand vanaf 1 september 2011 werd gehuurd door [persoon 9] . Een kweekcyclus bedraagt 8 tot 10 weken, zodat er in de periode van 19 weken tot de ontmanteling van de hennepkwekerij op 11 januari 2012 twee oogsten mogelijk waren. De rechtbank gaat ervan uit dat de aangetroffen henneptoppen afkomstig zijn van de tweede oogst. Gelet op het voorgaande zijn er voldoende aanwijzingen dat er één eerdere oogst is geweest en dat [veroordeelde] hier voordeel uit heeft getrokken. Dat voordeel is berekend op € 19.034,79. De rechtbank onderschrijft die berekening. Deze hennepkwekerij, zo blijkt ook uit het arrest van het hof, maakte onderdeel uit van de misdrijven die zijn gepleegd door de criminele organisatie in Colt II. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de officier van justitie meent, niet het gehele voordeel aan [veroordeelde] worden toegerekend. Hij was een van de twee leiders van deze criminele organisatie en de rechtbank schat het voordeel voor [veroordeelde] daarom op de helft van dit bedrag, € 9.517,40. 4.4.4 Hennepkwekerij [adres 6] (deelonderzoek [hennepkwekerij 2] ) Op 24 januari 2012 is in een pand aan de [adres 6] (België) een ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen. Dit betrof een pizzeria met daarboven een woongedeelte. In het pand zijn diverse indicatoren aangetroffen voor oogsten, waaronder 286 teeltpotten en teeltaarde met wortels van cannabisplanten. Aan de hand van tapgesprekken constateert de rechtbank dat [persoon 5] en [veroordeelde] betrokken zijn geweest bij deze hennepkwekerij. Zij hebben diverse keren contact gehad met de exploitant van de winkel, genaamd [persoon 10] , die zich [naam 2] noemde. In de tapgesprekken werd in versluierd taalgebruik gesproken. Zo spraken zij over ‘appels’ waarmee klaarblijkelijk hennep werd bedoeld. Op 20 juli 2011 belt [veroordeelde] naar [persoon 5] . [persoon 5] zegt tegen [veroordeelde] dat [naam 2] uit België heeft gebeld. Op 22 juli 2011 belt [veroordeelde] naar [naam 2] . [veroordeelde] zegt tegen [naam 2] dat hij over een half uurtje bij hem is. [naam 2] geeft het adres [adres 8] . Op 31 augustus 2011 belt [persoon 5] naar [naam 2] en bespreken ze welke locatie ze wel en niet doen. [naam 2] zegt: “Je moet mij wat geld geven om rond te komen totdat de appels rijp zijn.” [naam 2] zegt dat als het boven gaat draaien, hij [persoon 11] gaat wegsturen. [naam 2] zegt dat hij de pizzabakkerij gaat stopzetten. [persoon 5] wil alleen als ook het café erbij blijft en zegt dat [persoon 11] beneden ergens kan slapen totdat zij klaar zijn met het café. [naam 2] wil 5.000 om 2 maanden rond te komen totdat de appels rijp zijn. Op 6 september 2011 omstreeks 18:22 uur belt [veroordeelde] naar [naam 2] . Het gesprek gaat over onenigheid tussen [naam 2] en [persoon 11] . [naam 2] zegt dat [persoon 11] bepaalde percentages wil van de opbrengst. [naam 2] zegt: “De winkel mag op mijn naam blijven. Ik wil mijn 40 procent en jullie mogen zelf met [persoon 11] een en ander afspreken.” Omstreeks 18:32 uur belt [veroordeelde] naar [persoon 5] en zegt: “Hij zegt geven jullie maar 40 procent dan moeten jullie zelf weten wat jullie [persoon 11] geven.” [veroordeelde] vraagt of zij nu met [persoon 11] moeten gaan afspreken. [persoon 5] zegt laat [persoon 11] samen met [naam 2] naar ons toe komen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende aanwijzingen dat deze hennepkwekerij werd geëxploiteerd door de criminele organisatie in Colt II, waaraan [veroordeelde] samen met [persoon 5] leiding gaf, én dat door hen daaruit voordeel is getrokken. Aangezien beiden niets hebben verklaard over een onderlinge verdeling, gaat de rechtbank uit van een pondspondsgewijze verdeling. Uit de tapgesprekken kan worden opgemaakt dat de kwekerij in juli 2011 is gestart. Het dossier bevat echter geen aanwijzingen wanneer deze weer is ontmanteld. De rechtbank gaat daarom, anders dan de officier van justitie, uit van één oogst met 286 planten. De bruto opbrengst bedraagt dan 286 planten x 28,2 gram x € 3,28 = € 26.453,86. Daarop moeten de kosten in mindering worden gebracht van € 2.489,48 (afschrijving € 150,- plus per plant inkoop € 2,85, variabele kosten € 3,33 en knipkosten € 2,-). De netto opbrengst van een oogst is dan € 23.964,38. Daarvan wordt de helft toegerekend aan [veroordeelde] , dus € 11.982,19. 4.4.5 Hennepkwekerij [adres 5] (zaaksdossier [hennepkwekerij 6] ) Op 14 juni 2011 is in een woning aan het [adres 5] een hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 242 volgroeide hennepplanten. [veroordeelde] is door het hof veroordeeld als medepleger van het telen van hennep in dit pand, met een aantal anderen. De officier van justitie gaat ervan uit dat er een eerdere oogst heeft plaatsgevonden die wederrechtelijk voordeel heeft opgeleverd. [veroordeelde] heeft dit betwist. De rechtbank gaat er, op grond van de bewijsmiddelen, van uit dat deze kwekerij in april 2011 is opgebouwd, waardoor er gezien het tijdsverloop geen eerdere oogst kan zijn geweest. De officier van justitie heeft gesteld dat uit tapgesprekken op 18 en 19 april 2011 tussen [veroordeelde] en [persoon 12] (de huurder) kan worden afgeleid dat [persoon 12] in april de restanten van de vorige kweek heeft opgeruimd en voorbereidingen heeft getroffen voor het plaatsen van nieuwe stekken. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet, omdat de tapgesprekken naar haar oordeel voor meerdere uitleg vatbaar zijn, zodat daaruit niet buiten redelijke twijfel de conclusie kan worden getrokken dat er een eerdere oogst is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook onvoldoende aanwijzingen dat [veroordeelde] voordeel heeft genoten uit deze hennepkwekerij. 4.5 Schatting totale wederrechtelijk verkregen voordeel Concluderend wordt het totale door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank geschat op € 812.035,13. 4.3.3 Hennephandel € 560.141,30 4.4.1 Hennepkwekerij [plaats 3] € 17.717,41 4.4.2 Hennepkwekerij [plaats 4] € 212.676,84 4.4.3 Hennepkwekerij [plaats 5] € 9.517,40 4.4.4 Hennepkwekerij [plaats 1] € 11.982,19 Totaal € 812.035,13 4.6 Vaststelling ontnemingsbedrag 4.6.1 Overschrijding van de redelijke termijn De rechter-commissaris heeft op 6 januari 2012 een machtiging verleend voor een strafrechtelijk financieel onderzoek. Op grond van artikel 126a, lid 4, Wetboek van Strafvordering moet dan bij het eerste verhoor een afschrift van de vordering en machtiging aan [veroordeelde] ter hand worden gesteld. Hoewel dit niet blijkt uit het verhoor van [veroordeelde] op 2 mei 2012, gaat de rechtbank ervan uit dat dit wel is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank dient dan ook deze datum als aanvangsdatum voor de redelijke termijn inzake de ontnemingsvordering te worden genomen. Deze uitspraak is op 16 december 2021, dat is ruim 9,5 jaar later. In de strafzaak is de redelijke termijn bepaald op 2,5 jaar. De rechtbank ziet geen reden om daar in deze ontnemingsprocedure anders over te denken. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim 7 jaar is overschreden. Deze overschrijding dient te leiden tot een korting op het ontnemingsbedrag. Volgens vaste jurisprudentie bedraagt die korting in beginsel niet meer dan € 5.000,-. Omdat hier sprake is van een uitzonderlijk lange overschrijding, bepaalt de rechtbank de korting op € 10.000,-. 4.6.2 Conclusie De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 802.035,13 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen. 5De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 6De beslissing De rechtbank: stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 812.035,13; legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van € 802.035,13, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1080 dagen; wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Breeman, voorzitter, mr. M. van de Wetering en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.J.E.M. Hoezen en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 december 2021. De griffier is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen. Met de hieronder vermelde paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar pagina’s van het Onderzoek Colt SFO. Pagina 2 rapport berekening ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel [bedrijf 1] B.V. Pagina 1684 en 1685 (vertaling) Arrest gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 5 maart 2020 in de zaak tegen [medeverdachte 1] , parketnummer 20-000805-18, pagina 6 Pagina 525 Pagina 529-531 Pagina 444 en 475 Pagina 445 Pagina 513-514 Pagina 491 Arrest gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 5 maart 2020 in de zaak tegen [medeverdachte 1] , parketnummer 20-000805-18, pagina 61-62 Pagina 532-533 Pagina 534 Pagina 539-540 Pagina 582 Pagina 427-429 Pagina 574 Pagina 434 Pagina 2 rapport berekening ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel [bedrijf 1] B.V. Arrest Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 maart 2020 in de zaak tegen [medeverdachte 1] (parketnummer 20-000805-18), rechtsoverweging 4.8. Zaaksdossier [hennepkwekerij 1] , p. 37-39, proces-verbaal van bevindingen Zaaksdossier [hennepkwekerij 1] , p. 31-34, proces-verbaal verhoor verdachte Pagina 91 Pagina 91 Zaaksdossier Sepia, p. 964-969, proces-verbaal van bevindingen Zaaksdossier Sepia, p. 774-776, proces-verbaal van bevindingen, gesprek met de getuigen [persoon 7] en [persoon 6] Zaaksdossier Sepia, p. 401, proces-verbaal bevindingen analyse historische verkeersgegevens, betreffende [telefoonnummer 1] Zaaksdossier Sepia, p. 1006, proces-verbaal verhoor verdachte Zaaksdossier Sepia, p. 427, tapgesprek TT04-161 Zaaksdossier Sepia, p. 429, tapgesprek TT04-3385 Zaaksdossier Sepia, p. 937, tapgesprek 37 Pagina 92 Zaaksdossier Sepia, p. 1011 Pagina 93 Pagina 94 Pagina 94 Zaaksdossier [hennepkwekerij 5] , p. 111-112, verhoor getuige [persoon 13] , p. 114, proces-verbaal verhoor verdachte [persoon 9] en p. 155-157 akte van indeplaatsstelling Pagina 95 Zaaksdossier Sepia, p 798, proces-verbaal forensische opsporing, doorzoeking Pagina 98 Zaaksdossier Sepia, p. 50, proces-verbaal zaaksdossier Sepia Zaaksdossier Sepia, p. 441, tapgesprek TT07-1183 Zaaksdossier Sepia, p. 443, tapgesprek TT07-1204 Zaaksdossier Sepia, p. 444, tapgesprek TT06-2455 Zaaksdossier Sepia, p. 445, tapgesprek TT07-1748 Zaaksdossier Sepia, p. 446, tapgesprek TT16-1335

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.