RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/984841-11 vonnis van de rechtbank d.d. 16 december 2021 in de ontnemingszaak tegen [veroordeelde] B.V. laatstelijk gevestigd [plaats] , raadsman: mr. R. van ’t Land , advocaat te Breda 1De procedure [veroordeelde] . (hierna: [veroordeelde] ) is op 5 maart 2020 door het Gerechtshof ‘sHertogenbosch (hierna: hof) veroordeeld tot een geldboete van € 102.000,- voor (kort gezegd) het medeplegen van hennephandel, uitvoer van hennep, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Dit arrest is onherroepelijk geworden op 20 maart
- De officier van justitie heeft bij vordering van 19 december 2019 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd voor een bedrag van € 102.000,-. Op 15 januari 2020 heeft de rechtbank een schriftelijke voorbereidingsprocedure bevolen. In dat kader heeft alleen de officier van justitie een conclusie van eis en een nadere conclusie van eis ingediend. De ontnemingsvordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 oktober 2021 en 8 november 2021, waarbij de officier van justitie, mr. M.I. van den Heuvel, haar standpunt kenbaar heeft gemaakt. Verdachte is niet verschenen. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de vordering bijgesteld; zij stelt zich op het standpunt dat [veroordeelde] een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 102.894,09 en vordert de ontneming van een bedrag van € 894,
- Er is een strafrechtelijk financieel onderzoek uitgevoerd. Daarbij is het voordeel dat is behaald met de hennephandel vanuit [veroordeelde] berekend op ruim 17 miljoen euro. Omdat [veroordeelde] in 2015 is ontbonden, dient het vermogen in de vennootschap te worden vereffend. Er was conservatoir beslag gelegd op dat vermogen tot een bedrag van € 102.894,
- De opgelegde boete is daarmee inmiddels verrekend, zodat de officier van justitie verzoekt het te ontnemen bedrag te bepalen op het bedrag van het resterende conservatoire beslag ad € 894,
- 3Het oordeel van de rechtbank 3.1 De grondslag van de vordering De officier van justitie baseert haar ontnemingsvordering op artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van dat artikellid kan plaatsvinden als betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is veroordeeld of soortgelijke strafbare feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door hem zijn begaan. [veroordeelde] is veroordeeld voor onder andere hennephandel. De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op het voordeel dat uit hennephandel is genoten. Hennephandel (overtreding van artikel 3 sub B van de Opiumwet) is een strafbaar feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, zodat aan de formele voorwaarden voor ontneming is voldaan. 3.2 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank stelt voorop dat de ontnemingsvordering door [veroordeelde] niet inhoudelijk is betwist en overweegt verder als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat met hennephandel hoge illegale inkomsten worden gegenereerd. Gezien de onherroepelijke veroordeling van [veroordeelde] voor onder andere hennephandel (op grote schaal) en deelneming aan een criminele organisatie die zich daarmee bezighield, is het aannemelijk dat [veroordeelde] in ieder geval in 2011 wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Nu door geen van de deelnemers aan de criminele organisatie inzicht is gegeven in de illegaal verkregen inkomsten, zal de rechtbank deze moeten schatten. De officier van justitie heeft hiervoor gebruik gemaakt van een berekening van de verdiensten uit de hennephandel over de periode van 1 maart 2007 tot 21 november
- De rechtbank acht het aannemelijk dat de criminele organisatie ook actief was vóór 21 maart
- Het dossier bevat voldoende aanwijzingen dat reeds in 2007 sprake was van hennephandel vanuit [veroordeelde] . In de inbeslaggenomen administratie van [veroordeelde] bevond zich een zwarte ordner. Aannemelijk is dat een deel van die administratie betrekking heeft op handel in hennep. Zo bevindt zich in deze ordner een stuk dat betrekking heeft op de inkoop van hennep in juni, juli en begin augustus
- Daaruit blijkt dat sprake is van inkoop van hennep op grote schaal. Er wordt gesproken over ‘bestellingen’ bij een ‘bouwbedrijf’, die worden beschreven als ‘bestelling totaal m2’ met een ‘prijs per m2’. Om wat voor goederen het gaat is niet vermeld. In de administratie van [veroordeelde] over 2007 is verder geen enkele aanwijzing aangetroffen die verband houdt met ingekochte vierkante meters van welk goed dan ook. Voor de rechtbank staat vast dat hier sprake is van versluierd taalgebruik, waarbij ‘bestelling totaal m2’ ziet op het aantal kilogrammen hennep, ‘prijs per m2’op de prijs per kilogram (hierna: kg) en de 'totaal prijs’ op wat voor de hennep per zending in totaal is betaald. Gezien de inkoopprijs per kg hennep, tussen de € 675 en € 825, betreft het natte hennep, die na droging door de organisatie wordt verkocht. Uit dit stuk blijkt wel dat al in 2007 sprake was van omvangrijke handel in hennep vanuit [veroordeelde] : in ruim anderhalve maand (juni-augustus 2007) wordt voor ruim € 164.000 meer dan 200 kg hennep ingekocht. Er zijn dus voldoende aanwijzingen dat in drie maanden in 2007 en in 2011 omvangrijke hennephandel plaatsvond vanuit [veroordeelde] . De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de hennephandel in de tussenliggende jaren heeft stilgelegen, aangezien [veroordeelde] feitelijk als dekmantel fungeerde, zoals het hof ook heeft overwogen. Bovendien bevat het dossier veel meer aanwijzingen voor grootschalige hennephandel in de jaren 2007-
- Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ruim voldoende aanwijzingen dat in de gehele periode van 1 maart 2007 tot 21 november 2011 door de criminele organisatie rond [veroordeelde] strafbare feiten zijn gepleegd (hennephandel) waarmee illegale inkomsten zijn gegenereerd. De rechtbank deelt de visie van de officier van justitie dat het daarbij om miljoenen euro’s wederrechtelijk verkregen voordeel gaat en dat een deel daarvan moet worden toegerekend aan [veroordeelde] , als deelnemer aan de criminele organisatie. De rechtbank kan zich vinden in het voorstel van de officier van justitie om, nu de vennootschap inmiddels is ontbonden, het aan [veroordeelde] toe te rekenen voordeel te beperken tot het resterende vermogen van de vennootschap: € 102.849,
- 3.3 Vaststelling ontnemingsbedrag De rechtbank zal, rekening houdend met het feit dat uit dat vermogen de boete van € 102.000,- is voldaan, het door [veroordeelde] terug te betalen bedrag vaststellen op € 849,
- 4De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5De beslissing De rechtbank: stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 102.849,09; legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van € 849,09, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Breeman, voorzitter, mr. M. van de Wetering en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.J.E.M. Hoezen en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 december
- De griffier is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen. Met de hieronder vermelde paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar pagina’s van het Onderzoek Colt SFO. Pagina 525 Pagina 529-531 Pagina 570-584