← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2021:984

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/7392 NOW uitspraak van 4 maart 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres/B.V.] ., te [plaatsnaam] , eiseres, gemachtigde: [naam gemachtigde] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 juni 2020 (bestreden besluit) van de minister inzake de afwijzing van zijn verzoek om een tegemoetkoming tijdelijke noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid (NOW-1). Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen

  1. Het UWV heeft meegedeeld dat [naam eiseres/B.V.] als rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Bij die mededeling heeft het UWV een kopie van een uittreksel van het handelsregister gevoegd. Uit dit uittreksel blijkt dat [naam eiseres/B.V.] is uitgeschreven uit het handelsregister. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld welke betekenis hieraan moet worden gehecht. Uit artikel 2:19, vierde en vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechtspersoon, indien hij op het tijdstip van ontbinding geen baten meer heeft, alsdan ophoudt te bestaan en, als er wel baten zijn, na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Het zesde lid van dat wetsartikel bepaalt voorts dat de rechtspersoon in geval van vereffening ophoudt te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt en dat de vereffenaar aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, daarvan opgave doet. Artikel 2:23b van het BW bepaalt nog dat de vereffening eindigt op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn. Ten slotte is van belang dat ingevolge artikel 2:23c van het BW de rechtbank de vereffening op verzoek van een belanghebbende kan heropenen indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiseres of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. Gelet op de hiervoor genoemde bepalingen is de rechtbank van oordeel dat [naam eiseres/B.V.] nog als procespartij kan optreden. De uitschrijving van de vennootschap kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat het beroep niet-ontvankelijk is.
  2. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of aan de overige eisen van de Awb voor het in behandeling nemen van het verzoek is voldaan. In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is de verplichting opgenomen tot betaling van griffierecht. Met de aangetekende brief van 14 augustus 2020 is eiseres gewezen op deze verplichting. Met de brief van 14 augustus 2020 is aan eiseres ook meegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief dient te zijn overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Tevens is eiseres erop gewezen dat zij bij niet tijdige betaling het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.
  3. De rechtbank constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees , griffier, op 4 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen. rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.