RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/996009-09 vonnis van de meervoudige kamer van 25 februari 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1954 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Lelystad raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 6 en 7 december 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Y.V.J. Vermin, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 25 februari 2022 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. 2De tenlastelegging De tenlastelegging, zoals die op 2 november 2020 is gewijzigd, is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van € 806.820,34 en aan valsheid in geschrifte. 3De voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding De dagvaarding is geldig. 3.2 De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank is bevoegd. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van een grove schending van en een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijk proces, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming aan de belangen en het recht van verdachte op een eerlijk proces is tekortgedaan. Immers, alles in de voorbereiding, inclusief de (toegewezen) onderzoekswensen, had betrekking op de twee pijlers zoals die door het Openbaar Ministerie geformuleerd waren, te weten 1) de suikerfabrieken op Curaçao en de Turks and Caicos Islands (TCI) en 2) de valse leenovereenkomst met [bedrijf 5]. Door de verdenking vlak voor de zitting in november 2020 te wijzigen, is verdachte in een vrijwel onmogelijke positie gebracht. Ineens zijn allerlei zaken belangrijk geworden die dat gedurende de gehele looptijd van deze zaak vanaf 2012 niet waren, zoals financiële gegevens van vóór en tijdens de periode zoals die in de tenlastelegging is genoemd. Verdachte heeft die gegevens niet meer boven water kunnen halen en is daardoor in een zeer nadelige positie gebracht. Tot slot is de overschrijding van de redelijke termijn zodanig groot in deze zaak, dat dit alleen al voldoende is voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Van verdachte kan niet verwacht worden dat hij en anderen na zoveel tijd zich nog weten te herinneren hoe een en ander in detail is gelopen rond de decennium-wisseling en zelfs daarvoor. 3.3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zij ontvankelijk is. Weliswaar is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, maar dat is op zichzelf geen grond voor niet-ontvankelijkheid. Wel zal hier bij de strafeis in belangrijke mate rekening mee worden gehouden. Verder stelt de officier van justitie dat het onderzoek aanvankelijk op een andere basis was gestoeld. Echter na het verkrijgen van alle resultaten van het onderzoek waarin de verklaringen van verdachten zijn gevolgd, blijkt dat de verdachten toch onverklaarbaar vermogen hebben gehad waarvoor zij zelf geen goede verklaring hebben. Aan haar is de keuze hoe zij haar requisitoir wil inrichten en zij heeft gekozen voor de lijn van het zes-stappen-arrest, aldus de officier. 3.3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn van berechting in deze zaak zeer fors is overschreden. Hoewel het een omvangrijk en complex dossier betreft waaraan langdurig en internationaal onderzoek ten grondslag heeft gelegen en waarin veel getuigen zijn gehoord, ook in het buitenland, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een uitzonderlijk lange overschrijding van de redelijke termijn. Dit gegeven leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank wijst in dat kader op de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad waarin als uitgangspunt wordt geformuleerd dat - ook forse - overschrijdingen van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid kunnen leiden. Het feit dat er andersluidende jurisprudentie van lagere rechtspraak bestaat, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ook geen bijkomende omstandigheden die in dit geval aanleiding zijn voor een ander oordeel. Over de late wijziging van de grondslag van de verdenking door de officier van justitie heeft de rechtbank op 2 november 2020 reeds geoordeeld dat de tenlastelegging leidend is voor de verdenking en dat voldoende helder is waarop deze berust, wanneer deze naast het dossier wordt gelegd. In de tenlastelegging wordt immers door het genoemde bedrag een duidelijke link gelegd met de kasopstelling in het dossier, waarbij notabene naar het documentnummer van de desbetreffende kasopstelling wordt verwezen. De wijziging van het uitgangspunt door de officier van justitie in 2020 levert dan ook geen wijziging van de grondslag van de tenlastelegging op en is evenmin reden voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. De rechtbank is wel van oordeel dat indien en voor zover het grote tijdsverloop gevolgen heeft gehad voor de bewijspositie van verdachte, dit in het voordeel van verdachte dient te worden meegewogen. Zij zal daar hierna nader op ingaan. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende tegemoetgekomen aan de belangen van verdachte. Zij ziet hierin dan ook geen aanleiding om af te wijken van de vaste jurisprudentie en verwerpt het verweer. Nu ook verder niet is gebleken van enig ander beletsel daarvoor, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. 3.4 De schorsing van de vervolging Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Voor feit 1 voert zij aan dat de beoordeling van de kasopstelling aan de hand van het zogeheten zes-stappen-arrest maakt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft. Vanwege de lange periode waarin dit heeft plaatsgevonden, is er sprake van gewoontewitwassen. Voor feit 2 verwijst de officier van justitie naar de facturen in het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van feit 1 omdat verdachte in het kader van de toets op basis van het zes-stappen-arrest een voldoende concrete en min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld. Door de LGO-regeling heeft hij fors geld met de suikerhandel verdiend. Dat geld is via de bank uitbetaald en vervolgens cash opgenomen. Daarnaast heeft hij inkomsten uit zijn werk als commissionair en ambulante handel gehad. Er werd in die tijd op grote schaal gehandeld en in contanten betaald. Verdachte kan van die verdiensten tot op de dag van vandaag leven. Ondanks de door het tijdsverloop welhaast onmogelijke positie van verdachte om die inkomsten en uitgaven aannemelijk te maken, is hij daar toch in geslaagd. Voor feit 2 verwijst de verdediging naar de verklaring van verdachte. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Feit 1 4.3.1.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen voor feit 1 zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.1.2 Beoordelingskader witwassen Aan de rechtbank ligt ter beoordeling voor of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor een veroordeling voor witwassen zoals neergelegd in artikel 420bis, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient te worden bewezen dat het tenlastegelegde geldbedrag uit enig misdrijf (gronddelict) afkomstig is. Het is voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het tenlastegelegde geldbedrag afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het tenlastegelegde geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie om bewijs hiervoor aan te dragen. De rechtbank zal in dat geval moeten vaststellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zij een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van het zogeheten zes-stappen-arrest (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481). Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat er geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is (stap 1). Vervolgens zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen (stap 2). Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen (stap 3). Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn (stap 4). Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen (stap 5). Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (stap 6). Bij de beoordeling van de verklaring van verdachte spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de witwasverdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. 4.3.1.3 Vermoeden van witwassen De rechtbank is van oordeel dat wat hierna wordt besproken feiten en omstandigheden oplevert die, in onderling verband en samenhang beschouwd, zonder meer een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Verdachte heeft verklaard dat hij gedurende zijn hele leven vrijwel alles in contanten betaalt en hierin ook betaald wordt, met uitzondering van zijn verdiensten uit de suikerhandel. Bij een doorzoeking bij de (ex-)partner van verdachte is ruim € 80.000,- contant geld aangetroffen, waarvan verdachte verklaart dat dit bedrag van hem is. Bij verdachte thuis is ook ruim € 90.000,- contant geld aangetroffen. Het thuis bewaren van zulke grote hoeveelheden contant geld brengt veel (onnodig) risico met zich in tegenstelling tot het bewaren ervan op een bankrekening. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Daar komt bij dat verdachte in 2012 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 37 maanden voor drugsdelicten die zijn gepleegd in de periode 2001 tot en met 2006. Tot slot komt uit de kasopstelling in het dossier een onverklaarbaar groot verschil naar voren tussen de contante ontvangsten en contante uitgaven van verdachte van ruim 8 ton in euro’s. 4.3.1.4 Verklaring van verdachte en onderzoek door het Openbaar Ministerie Verdachte heeft bij meerdere verhoren in 2012 verklaard dat hij tot 1996 werkzaamheden heeft verricht als commissionair en dat hij daarna veel geld heeft verdiend met de suikerhandel op Curaçao, met name in 1998, 1999 en 2003. In 2004 en 2005 heeft hij inkomsten gehad uit de suikerhandel op TCI. Alle inkomsten uit de suikerhandel, zowel salaris als winstuitkering en zowel op Curaçao als op TCI, heeft hij via de bank ontvangen. Verder heeft verdachte verklaard dat de contante stortingen die hij vanaf 2006 op zijn bankrekening heeft gedaan, afkomstig zijn van het geld dat hij heeft verdiend in de suikerhandel en als commissionair. Dit werk is hij gaan doen nadat de suikerhandel was gestopt. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte slechts ten dele concreet en min of meer verifieerbaar is. De verklaring van verdachte dat hij veel geld heeft verdiend met de suikerhandel is namelijk grondig door het Openbaar Ministerie onderzocht, wat heeft geresulteerd in een omvangrijk dossier. Hieruit volgt dat het suikerverwerkingsbedrijf van verdachte (en zijn medeverdachte) gedurende een bepaalde periode veel omzet heeft gedraaid en behoorlijk wat geld heeft opgeleverd. Verdachte heeft echter ook verklaard dat het geld dat hij met deze handel heeft verdiend, altijd via de bank aan hem is toegekomen. Met andere woorden: dit is geen verklaring voor de herkomst van de contante gelden zoals die blijken uit de kasopstelling en waar verdachte de beschikking over had. De verklaring die verdachte over de herkomst van deze contante gelden heeft gegeven, te weten het werk als commissionair, is door hem onvoldoende onderbouwd. Verdachte heeft in algemeenheden aangegeven dat hij daar contant geld mee heeft verdiend, maar heeft geen namen genoemd van mensen/partijen met wie hij gehandeld zou hebben, noch waar die handel precies uit heeft bestaan, laat staan wanneer concreet deze handel heeft plaatsgevonden. Eerst ter zitting is verdachte met een paar ondertekende, gelijkluidende verklaringen gekomen van vijf personen, waarin is aangegeven dat zij vanaf 1996 tot heden zaken hebben gedaan met verdachte en dat dit meestal contant is afgerekend. De rechtbank stelt voorop dat deze verklaringen veel te laat zijn overgelegd en daarom niet meer onderzocht kunnen worden, maar nog belangrijker, dat deze verklaringen in het geheel niet concreet zijn. 4.3.1.5 Kasopstelling Volgens de door de FIOD opgestelde zogeheten eenvoudige kasopstelling in het dossier (D704) heeft verdachte in de periode van 2001 tot en met 23 mei 2012 veel meer contante uitgaven gedaan dan hij aan contante inkomsten heeft ontvangen. De rechtbank neemt bij haar beoordeling of sprake is van witwassen de kasopstelling als uitgangspunt en zal deze hierna bespreken. De rechtbank stelt vast dat de in de kasopstelling opgenomen posten en bedragen door de verdediging voor het overgrote deel niet zijn betwist. Periode Nu het wetsartikel inzake witwassen pas op 14 december 2001 in werking is getreden, heeft de officier van justitie gevorderd pas vanaf die datum het witwassen bewezen te verklaren. Gelet op de datum van inwerkingtreding van het wetsartikel, kort voor de jaarwisseling, en daarnaast de problemen die het oplevert om de cijfers over (december) 2001 te splitsen, zal de rechtbank - in het voordeel van verdachte - uitgaan van de periode vanaf 1 januari 2002. Beginsaldo Overigens zal de rechtbank de contante opnames en uitgaven van 2001 wel in kaart brengen omdat deze van invloed zijn op het beginsaldo van de kasopstelling op 1 januari 2002. Bij het bepalen van het beginsaldo is voorts van belang dat uit het dossier blijkt dat de suikerfabriek een periode zeer goed heeft gedraaid. Zo is er in één specifiek jaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.