RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 22/57 WABOM VV en BRE 21/889 WABOM uitspraak van 2 maart 2022 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen [naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghouder] , te [vestigingsplaats vergunninghouder] (vergunninghoudster), gemachtigde: G.J.M. de Jager. Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 december 2020 van het college (bestreden besluit) over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van zeven appartementen op het perceel [adres perceel] te [plaats perceel]. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met het verzoek in de zaak BRE 22/56 WABOM VV, plaatsgevonden in Breda op 16 februari
- Verzoeker is verschenen, bijgestaan door [naam betrokkene]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Kraus. Vergunninghoudster is verschenen bij [naam betrokkene 2] en mr. A.S. van der Sluys. Overwegingen Feiten
- Op 20 mei 2019 heeft het college een aanvraag van [naam vergunninghouder] ontvangen voor het bouwen van zeven appartementen op het perceel aan [adres perceel] in [plaats perceel]. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Roosendaal heeft op 26 juni 2019 aangegeven dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De raad van de gemeente Roosendaal heeft vervolgens op 24 september 2020 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Het college heeft een ontwerpbeschikking voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van zeven appartementen op het perceel [adres perceel] te [plaats perceel] met ingang van 12 oktober 2020 voor een termijn van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Bij het bestreden besluit van 14 december 2020 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Op 19 januari 2021 is de omgevingsvergunning op naam van [naam vergunninghouder] gezet. Op 7 maart 2021 heeft verzoeker om een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 14 april 2021 (BRE 21/1564 WABOM VV) is het verzoek afgewezen, omdat geen sprake was van onverwijlde spoed. De door verzoeker gevreesde verstoring van gierzwaluwen zal plaatsvinden door het feitelijk verwijderen van het destijds aanwezige gebouw. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat, indien en voor zover dat feitelijk handelen in strijd is met de Wet natuurbescherming (Wnb), de bestuursrechter niet de bevoegde instantie is om dit te voorkomen. Verzoeker heeft op 5 januari 2022 de voorzieningenrechter (wederom) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Standpunt verzoeker
- Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat de projectontwikkelaar is begonnen met het bouwen van het appartementengebouw. Er ligt inmiddels een fundering en een gedeeltelijke verticale bouw. De omgevingsvergunning is nog niet onherroepelijk, omdat er twee beroepen tegen zijn ingediend. Het is mogelijk dat de bouw in een te ver gevorderd stadium zal zijn voordat de ingestelde beroepsprocedure zal dienen. Verzoeker wijst erop dat ter plaatse zich beschermde diersoorten, waaronder de gierzwaluw, bevinden. Vergunninghoudster had eerst een ontheffing op grond van de Wnb moeten aanvragen. Indien eerst de omgevingsvergunning is aangevraagd, geldt er een aanhaakplicht, in die zin dat toestemmingen ingevolge de Wnb en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in één gezamenlijke procedure lopen. Als de aanhaakplicht geldt is voor de vergunning en/of ontheffing ingevolge de Wnb een verklaring van geen bedenkingen van het bevoegd gezag voor die vergunning/ontheffing nodig. Deze is niet verkregen. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter het bestreden besluit te vernietigen, het college verplicht deel te laten nemen aan een informatiecursus over de gierzwaluw en het college op te dragen over te gaan tot het aanschaffen van 25 gierzwaluwnestkasten in de omgeving van [adres perceel]. Ook uitspraak in beroep
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Spoedeisend belang
- Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Nu vast staat dat de bouw op de locatie [adres perceel] te [plaats perceel] nog niet is afgerond, heeft verzoeker belang bij een snelle beoordeling van het bestreden besluit. Beoordeling van het geschil 5.1 Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan op het perceel [adres perceel] te [plaats perceel] in rechte stand kan houden. 5.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de quickscan die in april 2018 is uitgevoerd door Econsultancy is gebleken dat er in- of aan het destijds aanwezige gebouw zich mogelijk nesten van enkele beschermde diersoorten bevinden, waaronder de gierzwaluw. In de periode van april tot en met september 2018 heeft een veldonderzoek plaatsgevonden. Er zijn vijf invliegende gierzwaluwen geobserveerd, waarmee is vastgesteld dat gierzwaluwverblijfplaatsen aanwezig waren in het destijds aanwezige gebouw . In maart 2021 heeft de Omgevingsdienst Brabant-Noord een rapport uitgebracht, waarin is opgenomen dat het gebouw met bijgebouwen in een slechte staat verkeert. Er bleken geen geschikte openingen voor gierzwaluwen. De gierzwaluwverblijven waren dichtgezet met purschuim. Uit het aangeleverde logboek blijkt dat de verblijfplaatsen en daken op 12 maart 2019 al ongeschikt waren gemaakt door het aanbrengen van schuim. Er zijn nieuwe nestkasten aangebracht. Na realisatie van de nieuwbouw zullen er 25 nestkasten aanwezig zijn, waarmee de ecologische functionaliteit volgens de Omgevingsdienst gelijk zal zijn of zal zijn verbeterd ten opzichte van de originele functionaliteit. In april 2021 is het gebouw vervolgens gesloopt. 5.3 Uit de informatie van de Omgevingsdienst volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het pand in maart 2019 al ongeschikt was voor de gierzwaluw om te verblijven. De gestelde verstoring van de gierzwaluwen heeft dus plaatsgevonden vóór de sloop van het oude pand op het perceel [adres perceel] te [plaats perceel]. Met de sloop zijn de verblijfplaatsen definitief verdwenen. 5.4 De voorzieningenrechter is in deze procedure gebonden aan de toetsing van het besluit van 14 december 2020 waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en planologisch strijdig gebruik. De sloop van het pand maakt géén onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet toe kan komen aan de vraag of ontheffing op grond van de Wnb noodzakelijk was voor de sloop, of er een aanhaakplicht gold, of het college aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan en of er in dat kader een verklaring van geen bedenkingen nodig was. Ook kan de voorzieningenrechter niet toekomen aan de vorderingen van verzoeker tot het plaatsen nestkasten en het opdragen om het college een cursus te laten volgen over gierzwaluwen, nu dat buiten de omvang van het geding valt. Conclusie 6.1 Nu de door verzoeker aangevoerde argumenten buiten de omvang van het geding vallen, kan verzoeker niet worden ontvangen in zijn beroep. 6.2 Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. 6.3 Nu het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. 6.4 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 2 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.