RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/2599 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Als derde-partij neemt aan het geding deel [naam derde partij] te [plaatsnaam 2] . Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 31 mei 2021 (het bestreden besluit) inzake de toekenning van een Ziektewetuitkering. Overwegingen Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank - na een herstelmogelijkheid - het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft geen beroepsgronden tegen het besluit van 31 mei 2021 vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiser bij brief van 24 november 2021 verzocht om binnen twee weken dit verzuim te herstellen door toe te lichten waarom hij het niet eens is met het besluit van het UWV van 31 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.