← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:1252

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/7221 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2022 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker (gemachtigde: [naam gemachtigde verzoeker] ), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. B.H.C. de Bruijn). Procesverloop In het besluit van 4 februari 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een uitkering met ingang van 1 januari 2020 op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen. In het besluit van 16 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting in de beroepszaak heeft plaatsgevonden op 3 juni 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Op 26 juli 2021 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld het daarin vastgestelde gebrek te herstellen. Van die gelegenheid heeft verweerder gebruik gemaakt. Op 5 januari 2022 heeft verweerder een gewijzigde beslissing op het bezwaar genomen. Het bezwaar van verzoeker tegen de beslissing van 4 februari 2020 is alsnog gegrond verklaard. Verzoeker krijgt met ingang van 1 januari 2020 een WW-uitkering toegewezen. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Vervolgens zijn over en weer reacties van beide partijen gevolgd. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, stelt de rechtbank vast dat verweerder geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeker. Verweerder heeft opgemerkt dat gemachtigde van verzoeker werkzaam is bij de Rechtswinkel [plaatsnaam] en (voor zover verweerder bekend) de proceshandelingen gratis verricht, zodat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verzoeker stelt dat bijstand door een gemachtigde van de Rechtswinkel wel voor vergoeding in aanmerking komt en heeft daarbij verwezen naar uitspraken van deze rechtbank van 2 november 2017 (met nummer AWB 17/2370) en van 22 juni 2021 (met nummer AWB 20/7082). De rechtbank leidt uit verwijzing naar deze uitspraken af dat de Rechtswinkel [plaatsnaam] met verzoeker is overeengekomen dat als de procedure gewonnen wordt, er een betalingsverplichting voor verzoeker ontstaat ter hoogte van de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft geen reden om aan het bestaan van een dergelijke afspraak te twijfelen, nu dit kennelijk de gebruikelijke werkwijze van de Rechtswinkel [plaatsnaam] is. De rechtbank overweegt, overeenkomstig voornoemde uitspraken, dat deze wijze van werken door een rechtswinkel te vergelijken is met een no cure no pay overeenkomst. In dat soort zaken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4665, r.o. 3.1) geoordeeld dat geen sprake is van een onaanvaardbare wijze van het vaststellen van een verschuldigde vergoeding. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank een ‘voorwaardelijke’ betalingsverplichting zoals overeengekomen met de Rechtswinkel [plaatsnaam] in dit geval ook kan worden aangemerkt als betalingsverplichting als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-, en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.518,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van C.A.F. Kalb, griffier, op 11 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.