RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/224403-20 vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1947 te [geboorteplaats] , wonende te [adres verdachte] , raadsvrouw mr. C.D.W. Herrings, advocaat te Rijen. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2022, waarbij de officier van justitie, mr. S. Groen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl zij nog niet de leeftijd van 16 jaar hadden bereikt. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de verklaringen van de ouders, de (gedetailleerde) verklaring van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelegd in de verhoorstudio en de uitkomsten van het betrouwbaarheidsonderzoek waarbij dr. [deskundige] onder meer gekeken heeft naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Daarbij is de verklaring van [slachtoffer 1] in hoge mate en die van [slachtoffer 2] in beperkte mate betrouwbaar beoordeeld door voornoemde deskundige. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring voor de ten laste gelegde feiten kan komen. Wat de verdediging betreft zijn de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onvoldoende betrouwbaar, waardoor vrijspraak dient te volgen. Zo stelt de verdediging onder meer dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gebrekkig gedetailleerd zijn. Daarnaast wijst de verdediging op het feit dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het bijzijn van elkaar en hun moeder zijn voorbereid door de politie op het verhoor, waardoor beïnvloeding niet kan worden uitgesloten. Verder deelt de verdediging de conclusies uit het betrouwbaarheidsonderzoek niet nu de deskundige onder meer heeft gerapporteerd op een incompleet dossier en gelet op de haast die de deskundige kennelijk had bij het opstellen van het rapport vanwege een door hem te ondergane medische ingreep. In het geval de rechtbank de verklaringen wel voldoende betrouwbaar oordeelt, stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het bewijsminimum zoals vermeld in artikel 342, lid 2 Sv vanwege een gebrek aan onvoldoende steunbewijs. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat vrijspraak dient te volgen vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 3: ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] Ter beoordeling van de rechtbank staat de vraag of de belastende verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en of haar verklaring voldoende steun vindt in overig bewijsmateriaal. De rechtbank kijkt daarbij allereerst naar de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] op 16 september 2020, de avond waarop [slachtoffer 1] het verhaal van de vermeende ontuchtige handelingen aan haar moeder heeft verteld, van haar ouders afzonderlijk de vraag heeft gekregen of verdachte “het ook bij haar gedaan zou hebben” en zij daar tot tweemaal toe ontkennend op heeft geantwoord. Pas een aantal dagen later, als [slachtoffer 2] van haar vader nogmaals de vraag krijgt of verdachte ook bij haar in haar broekje heeft gezeten, geeft zij aan dat het soms is gebeurd. Later in het studioverhoor geeft [slachtoffer 2] aan dat verdachte soms met zijn hand in de onderbroek van haar en haar zus zat. Met de deskundige dr. [deskundige] is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] moeilijk op betrouwbaarheid te beoordelen zijn nu deze te weinig gedetailleerd zijn. Ook valt niet uit te sluiten dat de verklaringen van [slachtoffer 2] zijn gebaseerd op het verhaal van [slachtoffer 1] , dan wel onbewust is afgestemd naar aanleiding van het contact met [slachtoffer 1] . Nu er twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] moet verdachte worden vrijgesproken van de hem onder feit 3 verweten gedragingen. Feit 1 en 2: ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] De verdenkingen tegen verdachte zijn gerezen naar aanleiding van een spontane mededeling van [slachtoffer 1] ten overstaan van haar moeder (en later haar vader) dat verdachte met zijn hand aan haar “piesemuis” zou hebben gezeten. Zij heeft dit verteld op een rustige manier, bij het naar bed gaan, ongeveer anderhalf uur na thuiskomst op maandag16 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.