← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:1282

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/394742 / JE RK 22-256 Datum uitspraak: 9 maart 2022 Beschikking van de kinderrechter over verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING, locatie Eindhoven, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [roepnaam] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [moeder] , hierna te noemen: de moeder, zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoek met bijlagen van de GI van 16 februari 2022, ingekomen bij de griffie op 16 februari

  1. De feiten De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [roepnaam] . Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juni 2021 is [roepnaam] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant (JBB). Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van twee weken. Deze maatregelen zijn nadien verlengd. Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 september 2021 is [roepnaam] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 21 september 2021 en tot 21 september
  2. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 21 september 2021 en tot 21 maart
  3. [roepnaam] verblijft momenteel op een groep. De moeder en [roepnaam] hebben de Poolse nationaliteit. Rechtsmacht en toepasselijk recht De kinderrechter constateert dat de moeder en [roepnaam] de Poolse nationaliteit hebben. Daarnaast blijkt uit het ambtshalve door de kinderrechter geraadpleegde uittreksel van de moeder uit de Basisregistratie Personen (BRP) dat de moeder staat geregistreerd als ‘Registratie Niet Ingezetenen (RNI)’ en zij dus niet staat ingeschreven in Nederland. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen. Ingevolge artikel 8 lid 1 van de verordening Brussel II-bis zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid valt onder meer uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van ondertoezichtstelling. Nu [roepnaam] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast. Het verzoek De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam] gedurende dag en nacht voor verblijf in een open instelling voor de duur van zes maanden. De beoordeling De kinderrechter overweegt als volgt. Bij beschikking van 20 september 2021 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam] in een voorziening voor pleegzorg verleend. Uit de overgelegde stukken blijkt echter dat [roepnaam] al sinds 1 oktober 2021 op een groep verblijft en niet in een pleeggezin. Daarmee is [roepnaam] door de GI - zonder tussenkomst van de kinderrechter - buiten de reikwijdte van de huidige machtiging op een groep geplaatst. De kinderrechter vindt dit zeer zorgelijk. Daarnaast is het verzoek naar het oordeel van de kinderrechter niet toewijsbaar, omdat de GI heeft verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam] in een open instelling te verlengen terwijl kennelijk is bedoeld om een nieuwe, niet-opvolgende machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken gericht op het plaatsen van [roepnaam] in een open instelling c.q. accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Gelet op het voorgaande, zal de kinderrechter het verzoek van de GI afwijzen. Aangezien [roepnaam] momenteel zonder passende machtiging tot uithuisplaatsing in het kader van een geheime plaatsing op een open groep verblijft, verwacht de kinderrechter van de GI dat die met spoed een passend verzoek indient tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam] die aansluit bij zijn werkelijke verblijfssituatie. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. De beslissing De kinderrechter: wijst het verzoek af. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2022 door mr. Phillips, kinderrechter, in samenwerking met mr. Wallerbos als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.