RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 19/1033 tot en met 19/1042 uitspraak van 16 maart 2022 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende 1] (de man) en [belanghebbende 2] (de vrouw), beiden wonende te [woonplaats] , belanghebbenden, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraken op bezwaar De uitspraken van de inspecteur van 18 januari 2019 op de bezwaren van: de man tegen de volgende aan hem opgelegde: navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2010 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.363 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.049 en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente van € 319 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] .H.07) (zaaknummer BRE 19/1037); navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.423 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.233 en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente van € 1.093 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] .H.17.01) (zaaknummer BRE 19/1038); navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.589 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 2 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] .H.27.01) (zaaknummer BRE 19/1039); beschikking gewijzigde heffingsgrondslag IB/PVV 2013 naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 66 en de daarbij (impliciet) gegeven beschikking herziening vaststelling (ondernemings)verlies van nihil (aanslagnummer [aanslagnummer 1] .H.36.01) (zaaknummer BRE 19/1040); aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 263 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] .H.46.01) (zaaknummer BRE 19/1041); aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.149 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 99 (aanslagnummer [aanslagnummer 1] .H.56.01) (zaaknummer BRE 19/1042). de vrouw tegen de volgende aan haar opgelegde: navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.268 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 166 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 1.497 (aanslagnummer [aanslagnummer 2] .H.27.01) (zaaknummer BRE 19/1033); navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2013 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.960 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 665 (aanslagnummer [aanslagnummer 2] .H.37.01) (zaaknummer BRE 19/1034); aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.513 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 515 (aanslagnummer [aanslagnummer 2] .H.46.01) (zaaknummer BRE 19/1035); aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.725 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 627 (aanslagnummer [aanslagnummer 2] .H.56.01) (zaaknummer BRE 19/1036). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2022 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, [belanghebbende 2] , ter bijstand vergezeld van [a] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. 2Gronden Feiten 2.1. De heer [belanghebbende 1] (de man) en mevrouw [belanghebbende 2] ( de vrouw) zijn met elkaar gehuwd. 2.2. De man heeft sinds 8 augustus 1997 een eenmanszaak uitgeoefend onder de handelsnaam ` [bedrijf 1] '. Volgens de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel (KvK) bestaan de activiteiten uit [activiteiten] . Deze activiteiten heeft belanghebbende 1 per 31 december 2011 beëindigd. 2.3. De vrouw heeft een fulltime dienstverband bij de [bedrijf 2] . 2.4. Met ingang van 27 juni 2011 zijn belanghebbenden samen de [VOF] (de VOF) gestart. Zij zijn ieder voor 50% gerechtigd tot de resultaten van de VOF. In het handelsregister van de KvK worden de activiteiten van de VOF omschreven als [activiteiten] , ook wel omschreven als [activiteit] . 2.5. De man en de vrouw hebben beiden een opleiding tot gecertificeerd [opleiding] gevolgd. 2.6. Volgens de aangiften IB/PVV heeft de VOF de volgende resultaten behaald in de jaren 2011 tot en met 2015. 2011 2012 2013 2014 2015 Omzet € 0 € 1.286 € 0 € 1.653 € 0 Resultaat € 24.439 (-/-) € 34.473 (-/-) € 29.166 (-/-) € 25.430 (-/-) € 46.374 (-/-) 2.7. In de periode maart 2012 tot oktober 2014 heeft de VOF geen activiteiten kunnen ontplooien naar aanleiding van handhavend optreden door de [gemeente] . 2.8. De VOF is gestaakt per 31 augustus 2015. 2.9. Met ingang van 1 mei 2015 heeft de man de activiteiten van ‘ [bedrijf 1] ’ weer opgepakt. 2.10. De vrouw heeft per 1 september 2015 de VOF als eenmanszaak voortgezet onder de naam ' [bedrijf 3] '. 2.11. Aan de man zijn aanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2013 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften. De inspecteur heeft vervolgens de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011 verminderd wegens verliesverrekening uit 2012 en 2013, omdat in de aangiften 2012 en 2013 rekening is gehouden met negatieve resultaten uit de VOF. 2.12. Aan de vrouw zijn aanslagen IB/PVV 2012 en 2013 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften. 2.13. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld naar onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV 2011 tot en met 2015. Als gevolg daarvan heeft de inspecteur geconcludeerd dat de activiteiten van de VOF niet zijn aan te merken als een bron van inkomen, waardoor volgens de inspecteur geen rekening gehouden moet worden met de verliezen van de VOF. 2.14. Naar aanleiding van het controlerapport zijn de in de aanhef vermelde (navorderings)aanslagen en beschikkingen genomen door de inspecteur. 2.15. Bij uitspraken op bezwaar zijn de (navorderings)aanslagen gehandhaafd. Geschil 2.16. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen: - Beschikt de inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt? - Kunnen de activiteiten van de VOF worden aangemerkt als een bron van inkomen? Nieuw feit 2.17. In artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. De inspecteur moet dus beschikken over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De bewijslast daarvoor rust op de inspecteur. 2.18. De rechtbank acht het aannemelijk dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen niet bekend was met het ontbreken van een objectieve winstverwachting. Immers, pas uit de resultaten van het boekenonderzoek is de inspecteur bekend geworden met wat de aard en insteek van de activiteit was en in hoeverre daarmee objectief gezien een positief resultaat kon worden verwacht. In zoverre levert dit dan ook een feit op dat als uitgangspunt kwalificeert als nieuw feit. Het gaat er echter ook om of de inspecteur redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met dat feit. Aan deze voorwaarde is niet voldaan indien de inspecteur een zogenoemd ambtelijk verzuim heeft begaan. Een ambtelijk verzuim is niet afwezig reeds omdat een aangifte geautomatiseerd is afgedaan. Dat laatste is namelijk een omstandigheid die voor risico van de inspecteur komt. Het gaat erom of de inspecteur de aangifte had behoren nader te onderzoeken. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur in het onderhavige geval op voorhand geen aanleiding om de aanslagen waarvoor navorderingsaanslagen zijn opgelegd nader te onderzoeken, omdat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aanslagen juist waren vastgesteld. Van een ambtelijk verzuim is dan geen sprake. De inspecteur was bevoegd om de navorderingsaanslagen op te leggen. Bron van inkomen? 2.19. Om te kunnen spreken van een bron van inkomen is vereist dat belanghebbenden met de betreffende activiteiten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.