RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/321430-21 vonnis van de meervoudige kamer van 25 maart 2022 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1989 te [Geboorteplaats] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Torentijd te Middelburg, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.B.O. van Soest, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 maart 2022, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 november 2021 samen met de medeverdachte ongeveer 1089 gram cocaïne heeft vervoerd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 1089 gram cocaïne. De verklaring van verdachte dat hij geen wetenschap had over de drugs in de auto, acht de officier van justitie ongeloofwaardig. De melding door [Naam] met betrekking tot de woningoverval, de aangetroffen tie wraps bij verdachte en de aangetroffen harddrugs vragen om een verklaring van verdachte. Nu deze verklaring uitblijft, draagt dit bij aan het wettige en overtuigende bewijs voor het medeplegen van het vervoeren van de tenlastegelegde hoeveelheid cocaïne. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit, aangezien niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de drugs in de auto. De raadsman heeft tevens ter zitting verzocht de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op te heffen, vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op 27 november 2021 zat verdachte als bijrijder, naast de medeverdachte, in de auto waarin 1089 gram cocaïne is aangetroffen. Verdachte heeft ontkend dat hij enige wetenschap had van de drugs in de auto. De medeverdachte, ter zitting gehoord als getuige, heeft verklaard dat de drugs van hem waren en dat verdachte hier niets vanaf wist. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om bij verdachte de vereiste wetenschap van de drugs in de auto aan te nemen. Indien uit wordt gegaan van het door de officier van justitie beschreven scenario, namelijk dat verdachte samen met de medeverdachte bij [Naam] binnen is geweest die dag, sluit dit de mogelijkheid niet uit dat de medeverdachte de drugs al voorafgaand aan dit incident in de auto had liggen en dat verdachte vervolgens is ingestapt zonder dat hij hier iets vanaf wist. Dit geldt temeer nu [Naam] enkel heeft verklaard dat de daders van de woningoverval geld wilden en in zijn geheel niet heeft gesproken over drugs. De voornoemde omstandigheden zijn dus niet zonder meer voldoende om te kunnen aannemen dat verdachte het opzettelijk vervoeren van drugs heeft medegepleegd. Verdachte zal van het ten laste gelegde feit worden vrijgesproken. De rechtbank heeft reeds op 11 maart 2022 beslist dat de voorlopige hechtenis met ingang van die dag werd opgeheven. 5De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit; Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, mr. P. Kooijman en mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. de Haas, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 maart 2022. Mr. Louwerse is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.