← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:152

wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De u

§7

onder 2),‘performance tests’ moet uitvoeren en [X] op de hoogte moet stellen van de uitkomsten (

§7

onder 6), dat belanghebbende op door [X] geregelde teamlocaties moet verschijnen (

§ 6

), dat de wedstrijden die hij voor [X] moet rijden altijd voorrang hebben boven zelf uitgezochte wedstrijden (

§7

, onder 1), dat hij in het kader van sponsor- en promotieactiviteiten zelf bepaalde zaken moet doen dan wel moet nalaten en voor de nodige eigen initiatieven goedkeuring van [X] nodig heeft (zie sponsorovereenkomst §2 onder “Return service of the cyclist’) en dat hij – al dan niet op initiatief van [X] – diverse testen moet ondergaan waarvan hij de testresultaten op moet sturen naar [X] (

§7onder 7 t/m 9).

Gelet op de inhoud van de contracten is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding. Immers kon [X] in het kader van de sportieve prestaties de nodige instructies geven en ontving [X] veel informatie over de (trainings)prestaties van belanghebbende zodat [X] inzicht had in de fysieke gesteldheid van belanghebbende. Aanvullend diende belanghebbende zich te houden aan de verschillende voorschriften die volgen uit de sponsorovereenkomst. Niet gesteld of gebleken is dat de afspraken uit de contracten niet zijn uitgevoerd. Dat belanghebbende aanvoert dat hij veel zaken zelf moest regelen, maakt dat niet anders. De rechtbank acht die omstandigheid niet voldoende zwaarwegend om te oordelen dat geen sprake is van een gezagsverhouding. Belanghebbende heeft veel vrijheid bij de indeling van zijn trainingsschema, het bepalen van zijn voedingspatroon en het kiezen van medische en mentale begeleiding. Aan de hand van de contractuele verplichtingen moest belanghebbende zich daarbij desalniettemin steeds houden aan de voorschriften van [X] , en kon [X] daar (enige mate van) controle op uitoefenen doordat zij op de hoogte werden gehouden van verschillende testresultaten. Ook als de bijkomende argumenten van belanghebbende worden meegewogen komt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Deze argumenten zijn dat het eenzijdig opzeggen van de overeenkomsten en het feit dat er twee contracten zijn gesloten bij een echte dienstbetrekking ongebruikelijk is. Tegenover de andere elementen van de overeenkomsten acht de rechtbank de argumenten van belanghebbende niet voldoende om te oordelen dat er geen sprake is van een gezagsverhouding. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de aanslag tot de juiste hoogte is vastgesteld. 2.

  1. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 20 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
  2. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 Hoge Raad 14 november 1997, ECLI:NL:1997:ZC
  3. Centrale Raad van Beroep 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:156.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.