RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/286082-21 vonnis van de meervoudige kamer van 8 april 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht, raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 maart 2022, waarbij de officier van justitie, mr. A. Vroombout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 21 oktober 2021 te Heerle, 2189,3 gram opzettelijk cocaïne heeft vervoerd dan wel in zijn auto aanwezig heeft gehad. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie dient verdachte te worden vrijgesproken van het vervoeren van cocaïne wegens onvoldoende bewijs. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de veiligheidsfouillering en de doorzoeking van de auto rechtmatig hebben plaatsgevonden. Op grond van het procesdossier, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 2189,3 gram cocaïne. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het vervoeren van cocaïne vanwege onvoldoende wettig bewijs. Ten aanzien van het aanwezig hebben van cocaïne heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat sprake is van twee vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Ten eerste bestond op het moment van binnentreden in het pand aan de [adres 2] te Heerle ten aanzien van verdachte geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Om die reden mochten er tegen verdachte geen dwangmiddelen worden ingezet en had verdachte niet gefouilleerd mogen worden. Bij de fouillering van verdachte is een autosleutel aangetroffen. Zonder toestemming van verdachte is die sleutel gebruikt om de auto, die op het terrein van [adres 2] stond, te openen en te doorzoeken. De verdediging is van mening dat hiermee sprake is van een onrechtmatige doorzoeking van de auto, nu er geen enkele aanwijzing was dat zich in de auto drugs zouden bevinden. Gelet op het voorgaande stelt de verdediging dat al hetgeen is gevolgd op de onrechtmatige fouillering en doorzoeking moet worden uitgesloten van het bewijs. De overige bewijsmiddelen zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen en dus dient verdachte te worden vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne. Ten tweede heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de cocaïne in zijn auto. Het is vaste jurisprudentie dat een auto-eigenaar wordt verondersteld bekend te zijn met de aanwezigheid van de in de auto aanwezige goederen, behoudens contra-indicaties. De verdediging heeft in een vroeg stadium aangegeven dat verdachte niet wist van de cocaïne in zijn auto en heeft daarom verzocht om een DNA-onderzoek naar de drugs of de verborgen ruimte. Dit onderzoek kon niet plaatsvinden, omdat het Openbaar Ministerie geen sporen heeft veilig gesteld. Hierdoor is de mogelijkheid voor verdachte om zich te verweren ontnomen en is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte wist van de cocaïne in zijn auto. Ook om deze reden dient vrijspraak te volgen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Vaststelling van de feiten Uit onderzoek Pointer, dat voortvloeit uit onderzoek 26Argus naar gebruikers van cryptotelefoons, is een redelijk vermoeden gevolgd dat [naam] vanuit een loods aan de [adres 2] in Heerle handelde in drugs. Op grond van deze verdenking zijn de verbalisanten op 21 oktober 2021 binnengetreden in dit pand. Zij waren gemachtigd het pand te doorzoeken ter inbeslagneming en ter aanhouding van [naam]. In dit pand is verdachte aangetroffen. Hij had een autosleutel van een Renault bij zich. Op het terrein van [adres 2] stond een Renault Clio. Dit voertuig is geopend met de bij verdachte aangetroffen sleutel en is vervolgens doorzocht. In een professioneel aangebrachte verborgen ruimte in het voertuig is 2189,3 gram cocaïne aangetroffen. De auto was eigendom van verdachte. Rechtmatigheid fouillering Naar het oordeel van de rechtbank betreft de fouillering die bij verdachte is gedaan, een veiligheidsfouillering. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie, die bij de doorzoeking aanwezig was, aangevoerd dat sprake was van een ernstige verdenking van handel in drugs in het pand aan de [adres 2], dat op die grond is binnengetreden en dat verdachte als enige in het pand is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden de verbalisanten bevoegd waren tot het toepassen van een veiligheidsfouillering. Deze fouillering is dan ook rechtmatig geweest en er is dus geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De rechtbank verwerpt het verweer. Rechtmatigheid doorzoeking auto In artikel 9, eerste lid, onder a van de Opiumwet wordt aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid gegeven zich de toegang tot vervoermiddelen te verschaffen, indien een verdenking bestaat dat in het vervoermiddel drugs aanwezig zijn of daarmee worden vervoerd. Uit het procesdossier volgt dat sprake was van een ernstige verdenking dat in het pand aan de [adres 2] in drugs werd gehandeld. Verdachte was als enige in het pand aanwezig. De auto van verdachte stond op het bij dit pand behorende afgesloten terrein. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden redelijkerwijs door de verbalisanten kon worden vermoed dat die auto gebruikt was of gebruikt kon worden voor het vervoer van drugs en dat er mogelijk drugs in de auto aanwezig waren. Op grond van artikel 9 van de Opiumwet hadden zij daarmee de bevoegdheid tot doorzoeking van de auto. Dat verdachte geen toestemming heeft gegeven om de bij de fouillering aangetroffen autosleutel te gebruiken doet daar niet aan af. De verbalisanten hadden deze bevoegdheid ook zonder het aantreffen van de sleutel bij verdachte. De rechtbank concludeert dus dat de doorzoeking van de auto rechtmatig is geweest en verwerpt het verweer van de verdediging. Wetenschap en beschikkingsmacht Verdachte was de eigenaar van de Renault Clio waarin de cocaïne is aangetroffen. Het is vaste rechtspraak dat een auto-eigenaar wordt verondersteld bekend te zijn met de in de auto aanwezige goederen, behoudens contra-indicaties. De in het voertuig aangetroffen verborgen ruimte was een uiterst professioneel ingerichte ruimte die slechts vanuit de binnenzijde van de auto opengemaakt kon worden door een combinatie van handelingen. De verklaring van verdachte dat de verborgen ruimte mogelijkerwijs - zonder dat hij dit wist - al in de auto zat toen hij hem kocht of dat hij de auto wel eens uitleent aan anderen, die de verborgen ruimte zonder zijn medeweten in zijn auto kunnen hebben ingebouwd, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verklaring is niet concreet noch verifieerbaar, nu het slechts bij een suggestie van verdachte is gebleven, zonder dat hij nadere gegevens of details heeft verschaft. In de verborgen ruimte bevond zich 2189,3 gram cocaïne met een straatwaarde van ten minste € 100.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.