← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:1831

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/82 GEMWT B A uitspraak van 8 april 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker, gemachtigde: mr. B.F.J. Bollen, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 december 2020 (bestreden besluit) van het college, waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard en het primaire besluit in stand is gelaten. De hoogte van de in te vorderen dwangsom is heroverwogen en gematigd tot een bedrag van € 25.000,-. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is op 23 december 2021 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Het college is bij gemachtigde verschenen. Bij besluit van 7 januari 2022 heeft het college het bestreden besluit gewijzigd, de in te vorderen dwangsom gematigd tot een bedrag van € 12.500,- en besloten het te veel verschuldigde bedrag van € 12.500,- terug te betalen aan verzoeker. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft bij brief van 1 maart 2022 gebruik gemaakt van de gelegenheid om hierop te reageren. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
  2. Ter zitting zijn partijen, ter beëindiging van het geschil, overeengekomen dat de hoogte van de dwangsom met de helft zal worden gematigd tot een bedrag van € 12.500,-. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat ieder zijn eigen kosten zal dragen. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij besluit van 7 januari 2022 het bestreden besluit gewijzigd.
  3. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Partijen zijn namelijk ter zitting overeengekomen dat ieder zijn eigen kosten zal dragen. Dit is ook als zodanig in het proces-verbaal van de zitting neergelegd. Dit betekent dat de kosten die eiser heeft moeten maken in verband met zijn beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen. Een proceskostenveroordeling zal dan ook achterwege blijven. Hoewel artikel 8:41, vierde lid, van de Awb bepaalt dat bij intrekking van het beroep het bestuursorgaan het betaalde griffierecht vergoedt, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval onder “het dragen van de eigen kosten” mede dient te worden verstaan het betaalde griffierecht. De rechtbank houdt het ervoor en acht het ook niet onredelijk dat uit deze mededeling kan worden afgeleid dat partijen zijn overeengekomen dat zij jegens elkaar geen enkele aanspraak meer hebben. Beslissing De rechtbank: wijst het verzoek om proceskostenveroordeling voor een door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand af; wijst het verzoek om het bestuursorgaan op te dragen het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier, op 8 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.