RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/1242 PW VV uitspraak van 11 april 2022 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoekster, gemachtigde: mr. I. Car, en het dagelijks bestuur van Samenwerking De Bevelanden, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen van haar uitkering op grond van de Participatiewet over de maand februari
- Zij heeft de voorzieningenrechter op 25 februari 2022 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 1 maart 2022 heeft De Bevelanden de uitkering over de maand februari alsnog betaalbaar gesteld. Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek De Bevelanden te veroordelen in de proceskosten. De Bevelanden heeft zich bij brief van 21 maart 2022 op het standpunt gesteld dat een voorlopige voorziening voorkomen had kunnen worden als verzoekster contact had opgenomen met de inkomensconsulent. Deze brief is aan verzoekster doorgestuurd met het verzoek daarop te reageren. Binnen de gestelde termijn is geen reactie van verzoekster ontvangen. De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de betaling van de uitkering op 1 maart 2022 dat De Bevelanden aan verzoekster is tegemoetgekomen. Verzoekster heeft echter, ondanks dat zij op 24 februari 2022 daarop is gewezen door haar budgetbeheerder, geen contact opgenomen met de inkomensconsulent voordat een verzoek om voorlopige voorziening werd ingediend. Had zij dit wel gedaan dan was een voorlopige voorziening (naar alle waarschijnlijkheid) niet nodig geweest. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om De Bevelanden te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 11 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.