RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 21/5446 uitspraak van 15 april 2022 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de invorderingsambtenaar, de invorderingsambtenaar. Motivering Belanghebbende heeft op 13 december 2021 digitaal beroep ingesteld. Belanghebbende heeft in haar gronden gemeld dat zij “een betalingsregeling had getroffen maar omdat ik corona heb gehad en ik heel ziek was ben ik de volgende termijn vergeten gelijk word er dan bevel met beslaglegging gestuurd”. Dwangbevel en beslaglegging De rechtbank (de fiscale bestuursrechter) is niet bevoegd een inhoudelijke beoordeling te geven over een bevel dan wel beslaglegging. De rechtbank legt dit uit. De (fiscale) bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de invorderingsambtenaar op grond van de Invorderingswet 1990, in verbinding met artikel 231 van de Gemeentewet. Voor bepaalde besluiten op grond van de Invorderingsweg 1990 is in de regelgeving een uitzondering gemaakt, in welk geval de fiscale bestuursrechter wel bevoegd is. De beslissing tot betekening van dwangbevel valt niet onder een van de uitzonderingen. Dat geldt ook voor de (wijze van) betekening als zodanig. Tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel kan in verzet worden gekomen bij de civiele rechter. De rechtbank is in zoverre dus kennelijk onbevoegd. Betekeningskosten De fiscale bestuursrechter is wel bevoegd te oordelen over eventuele kosten die in rekening zijn gebracht voor de betekening van het dwangbevel. Voor zover het beroep is gericht tegen deze kosten is belanghebbende griffierecht verschuldigd van € 49. De griffier heeft belanghebbende daarover schriftelijk geïnformeerd. De griffier heeft belanghebbende in een aangetekende brief van 17 januari 2022 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. De brief vermeldt dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen, indien het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van de brief is overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Volgens gegevens van Track&Trace is de brief afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht niet is ontvangen. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het zou zijn gericht tegen de betekeningskosten; - verklaart zich voor het overige onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 15 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd. Artikel 17 van de Invorderingswet 1990.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.