RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/839 PW VV uitspraak van 25 april 2022 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoekster, gemachtigde: mr. M.J.M. van Rijsewijk, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 januari 2022 (bestreden besluit) van het college over de intrekking van haar uitkering op grond van de Participatiewet per 1 december
- Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 21 februari 2022 heeft het college het bestreden besluit ingetrokken. Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het besluit van 21 februari 2022 dat het college aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759,‑ en wegingsfactor 1).
- Nu het college aan verzoekster is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter hierin aanleiding om het college tevens te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht. Beslissing De voorzieningenrechter: veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-; draagt het college op het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoekster te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier, op 25 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.