RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/958 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 5 september 2021 tegen het besluit van 12 augustus 2021 betreffende de toekenning van huishoudelijke hulp in de periode 1 juli 2021 tot en met 24 april 2022 ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning
- Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er hier sprake is van een beslistermijn van zes weken, omdat de Commissie Sociaal Domein geen commissie is zoals bedoeld in artikel 7:13, van de Awb en omdat verweerder geen mededeling heeft gedaan zoals bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb. Deze beroepsgronden slagen niet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 7:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een adviescommissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen. De rechtbank stelt vast dat uit artikel 10, eerste en zevende lid, van het Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda houdende regels omtrent behandeling van bezwaarschriften Reglement behandeling bezwaarschriften blijkt dat de Commissie Sociaal Domein is ingesteld conform de vereisten van artikel 7:13, eerste lid, van de Awb. In dit kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 december 2017 over de Commissie Sociaal Domein van verweerder als onafhankelijke bezwaarschriftencommissie. Ten aanzien van de grond van eiseres dat de beslistermijn zes weken blijft, omdat er geen mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb overweegt de rechtbank het volgende. Uit artikel 7:10, eerste lid, en artikel 7:13, tweede lid, van de Awb vloeit niet voort dat de termijn van twaalf weken niet van toepassing is indien de mededeling, als bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb, niet is gedaan of pas is gedaan na het verstrijken van zes weken na het indienen van het bezwaarschrift. Indien een commissie is ingesteld, vloeit de twaalfwekentermijn direct voort uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. De toepasselijkheid van deze termijn is niet afhankelijk van de mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 april
- Eiseres heeft het bezwaarschrift tegen het besluit van 12 augustus 2021 ingediend op 5 september
- Zoals hiervoor reeds is vastgesteld moet verweerder, omdat er een adviescommissie is, binnen twaalf weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn van zes weken voorbij is. Verweerder heeft de beslistermijn op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb binnen de beslistermijn rechtsgeldig verdaagd met zes weken. In dit geval eindigde de beslistermijn op 27 januari
- Eiseres heeft verweerder op 13 januari 2022 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, kan de rechtbank de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom niet vaststellen. Dit volgt uit artikel 8:55c van de Awb. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen, niet wegneemt dat verweerder inmiddels had moeten beslissen op het bezwaar en voor zover hij dit nog niet heeft gedaan dit zo spoedig mogelijk alsnog dient te doen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - wijst het verzoek om vaststelling van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 22 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. ECLI:NL:CRVB:2017:4473, r.o. 5.4.
- ECLI:NL:CRVB:2019:1470