RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/2091 KINDER VV uitspraak van 28 april 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker, gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer, en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 maart 2022 (bestreden besluit) van verweerder inzake de weigering om het forfaitaire bedrag van € 30.000,00 aan compensatie in het kader van de zogenoemde Catshuisregeling te betalen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 26 april
- Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] . Overwegingen
- Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker heeft zich op 6 juli 2021 gemeld als gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Hij heeft een aanvraag gedaan voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met
- Verweerder heeft met een zogenaamde lichte toets beoordeeld of verzoeker in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Catshuisregeling. Deze lichte toets maakt deel uit van een integraal beoordelingsproces waarin uiteindelijk definitief wordt beoordeeld of verzoeker in aanmerking komt voor een compensatie of een tegemoetkoming. In het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat de lichte toets geen reden geeft om het bedrag van € 30.000,00 aan verzoeker te betalen. Daarbij is meegedeeld dat voor de definitieve beoordeling nog nader onderzoek zal worden gedaan. In het besluit is verder vermeld dat verzoeker in het jaar 2010 zelf de kinderopvangtoeslag heeft stopgezet. Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat zijn verzoek uitsluitend ziet op de jaren 2005 tot en met
- Verzoeker kan zich niet herinneren in 2010 een aanvraag te hebben gedaan. Voor dat jaar vraagt hij ook geen compensatie. Verweerder heeft nader toegelicht dat verzoeker over de betreffende jaren vooralsnog niet als aanvrager en/of gedupeerde kan worden aangemerkt.
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
- Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat zijn spoedeisend belang met name gelegen is het verkrijgen van de status van gedupeerde. Hierdoor kan hij even rust krijgen van zijn schulden. Ook is het spoedeisend belang gelegen in (de afbetaling van) de hoeveelheid schulden die verzoeker heeft. Verzoeker heeft een overzicht overgelegd van zijn schulden.
- Verweerder heeft toegelicht dat bij iedereen die zich als gedupeerde bij de belastingdienst heeft gemeld de invordering van publieke schulden stop wordt gezet totdat definitief duidelijk is of recht bestaat op compensatie (de zogenaamde pauzeknop). Het Brede Hulpteam is opgericht met als doel de ouders, onder meer, daarbij te helpen. Dit team kan er ook voor zorgen dat de zogenaamde pauzeknop in werking treedt. Verzoeker heeft zich ook daadwerkelijk gemeld bij het Brede Hulpteam, zodat ook voor hem de pauzeknop in werking treedt of is getreden. Uit het voorgaande volgt dat het niet nodig is om als gedupeerde aangemerkt te worden om de pauzeknop in werking te laten treden. Het merendeel van verzoekers schulden bestaat uit publieke schulden. Door zijn melding wordt de invordering van deze schulden stopgezet. Voor zover dat nog niet voor alle publieke schulden is geregeld, kan verzoeker zich wenden tot het Brede Hulpteam.
- Naast de publieke schulden is er ook een aantal private schulden met een geringere omvang. Verzoeker heeft ter zitting gesteld een netto-inkomen te hebben van ongeveer € 1.900,00 per maand. Daarnaast ontvangt hij huurtoeslag. Op de zorgtoeslag is beslag gelegd. Gelet op de hoogte van zijn inkomen -en de bescherming die uitgaat van de beslagvrije voet- is het niet aannemelijk dat er op dit moment sprake is van een acute (financiële) noodsituatie of onomkeerbaar nadeel. Daarbij wordt meegewogen dat verzoeker ook niet heeft gesteld dat er op dit moment sprake is van dusdanige invorderingsactiviteiten waardoor hij niet in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 28 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Toelichting met verwijzing naar de toezegging van het kabinet volgens (pagina 19 en 20 van) de 6e voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag.