RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/1456 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 mei 2022 in de zaak tussen [naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres (gemachtigde: mr. J.W. van de Wege), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:4286). In die uitspraak staat dat verweerder nog niet heeft beslist op het bezwaar van eiseres van 14 december 2020 gericht tegen het besluit van 3 november 2020, een dwangsom van € 1.442,- heeft verbeurd en binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak, 25 augustus 2021, alsnog moet beslissen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan. Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is, in een geval als het onderhavige, waarin de bestuursrechter een termijn heeft gesteld voor het nemen van een (nieuw) besluit, niet vereist dat nog een ingebrekestelling wordt gestuurd voordat beroep wordt ingesteld. Verweerder heeft niet binnen de door de rechter gestelde termijn opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Het beroep is kennelijk gegrond. Omdat verweerder nog geen besluit op bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank kan op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb verweerder een dwangsom opleggen voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. Volgens het landelijke beleid wordt in gevallen als deze, waarin verweerder na een door de rechter gestelde termijn nog geen besluit op bezwaar heeft genomen, de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Dat staat in artikel 4:17, van de Awb. De rechtbank zal het verzoek van eiseres om deze dwangsom vast te stellen afwijzen. De rechtbank heeft namelijk in de eerdere uitspraak van 23 augustus 2021 de hoogte van de verbeurde dwangsom op grond van voornoemd artikel vastgesteld op het maximale bedrag van € 1.442,- (42 dagen). De nu verzochte dwangsom ziet nog steeds op het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiseres van 14 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.