RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummers: 02/204646-21, 20/003015-17 (TUL) vonnis van de meervoudige kamer van 12 mei 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteplaats] , wonende [adres] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (P.I.) te Middelburg, raadsman mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 april 2022, waarbij de officier van justitie, mr. L.J. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Als waarnemend raadsman is ter terechtzitting aanwezig mr. M. Houweling. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat feit 1: verdachte op 30 juli 2021 al dan niet met voorbedachten rade, geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven; feit 2: verdachte op 30 juli 2021 een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte vanwege het ontbreken van voorbedachte raad vrij te spreken van de onder feit 1 tenlastegelegde poging tot moord. Zij acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en baseert zich daarbij op de verklaring van [slachtoffer] dat hij nog in zijn voertuig zat op het moment dat er geschoten werd en op het schotbaanonderzoek van de politie: daaruit blijkt dat - bij een normale zithouding - aangenomen kan worden dat er gericht is geschoten op het hoofd van de bestuurder. Verdachte is volgens eigen zeggen een ongeoefend schutter en heeft van korte afstand geschoten op een kleine ruimte waaruit [slachtoffer] niet snel weg kon. Door zo te schieten heeft verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet op het veroorzaken van de dood gehad. Feit 2 acht de officier van justitie ook wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte, het proces-verbaal over de categorisering van het wapen en de munitie en het proces-verbaal van het aantreffen van het wapen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 kan komen. Verdachte heeft verklaard dat zijn intentie niet was om [slachtoffer] te doden, maar om hem af te schrikken. Verdachte heeft ook verklaard dat hij doelbewust, één keer, door de achterruit van het voertuig van [slachtoffer] heeft geschoten en niet in de richting van [slachtoffer] . Als het opzet van verdachte op de dood was gericht had hij wel vaker geschoten. Volgens de verdediging was het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet gericht op de dood van [slachtoffer] : op een afstand van drie meter bewust een schot lossen richting een achterruit terwijl iemand aan de voorkant aan het uitstappen is levert geen bewust aanmerkelijke kans op de dood op. Het is dan praktisch onmogelijk om te missen, behalve als je daadwerkelijk wíl missen. Nu niet is vast te stellen dat het opzet van verdachte gericht was op de dood van [slachtoffer] verzoekt de verdediging (primair) om verdachte vrij te spreken van wat hem onder feit 1 ten laste is gelegd. Voor feit 2 heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 De rechtbank stelt de volgende feiten vast. Op 30 juli 2021 vonden er twee confrontaties plaats tussen verdachte en [slachtoffer] . Bij de eerste confrontatie, in Sprundel, heeft verdachte in de lucht geschoten ter waarschuwing. Bij de tweede confrontatie, in Sint Willebord, heeft verdachte met een vuurwapen geschoten op de auto van [slachtoffer] , waarin [slachtoffer] zich op dat moment als bestuurder van de auto nog bevond. Uit het schotbaanonderzoek van de politie is gebleken dat de kogel die verdachte heeft afgevuurd, door de linker achterruit van de auto van [slachtoffer] is gegaan en terecht is gekomen in de hoofdsteun van de bestuurdersstoel, waar de kogel – na inslag – is versplinterd. [slachtoffer] is niet geraakt door de kogel. Verdachte heeft verklaard dat hij op de auto van [slachtoffer] heeft geschoten op het moment dat hij zag dat [slachtoffer] aanstalten maakte om uit de auto te stappen, waarbij één voet en zijn hoofd al buiten de auto waren. Verdachte wilde hiermee naar eigen zeggen voorkomen dat [slachtoffer] daadwerkelijk zou uitstappen en een gevaar voor verdachte zou kunnen vormen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij, als ongeoefend schutter, bewust ter afschrikking op de achterruit schoot omdat [slachtoffer] zich niet (meer) op die plek in de auto bevond. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verdachte zich met zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag. Poging tot moord Voor een bewezenverklaring van poging tot moord, moet komen vast te staan dat er sprake was van voorbedachte raad, wat inhoudt dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Naar het oordeel van de rechtbank kan – in navolging van de officier van justitie en de verdediging – niet bewezen worden dat verdachte bij de tweede confrontatie met voorbedachte raad heeft gehandeld toen hij met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] schoot. Na de eerste confrontatie is verdachte immers weggereden, terwijl [slachtoffer] hem achtervolgde. Verdachte dacht [slachtoffer] afgeschud te hebben toen bij zijn auto parkeerde bij het perceel van een vriend in Sint Willebrord. Hij werd echter plotseling en onverwacht wederom geconfronteerd met [slachtoffer] , die zijn auto parkeerde voor die van hemzelf. Toen heeft verdachte direct zijn vuurwapen getrokken en geschoten. Uit deze feiten leidt de rechtbank af dat verdachte niet na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld, maar als directe reactie op de situatie. Poging tot doodslag De rechtbank stelt vast dat verdachte op korte afstand (ongeveer drie meter) van de auto van [slachtoffer] stond toen hij zijn vuurwapen afschoot. De kogel die door verdachte is afgevuurd is terecht gekomen in de hoofdsteun van de bestuurdersstoel, de plek waar [slachtoffer] in de auto zat. Doordat de kogel na het binnendringen in de hoofdsteun de linker metalen constructiedrager van de hoofdsteun heeft geraakt, is de kogel gefragmenteerd geraakt en verder de hoofdsteun binnen gedrongen. [slachtoffer] verklaart consistent dat hij in zijn auto zat op het moment dat verdachte het schot op zijn auto afvuurde. Verdachte daarentegen verklaart hierover wisselend en uiteenlopend. Nu het dossier geen objectieve aanwijzingen bevat dat [slachtoffer] aan het uitstappen was, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] . Zelfs als de rechtbank verdachte in zijn verklaring zou hebben gevolgd dat [slachtoffer] aan het uitstappen was, waarbij al één voet en zijn hoofd uit de auto waren, doet dit aan het bovenstaande niet af. Het uitstappen uit een auto is naar het oordeel van de rechtbank een dynamische beweging, waarbij uitgesloten kan worden dat verdachte, als ongeoefend schutter, zodanig precies heeft gericht dat hij met recht kon veronderstellen dat hij [slachtoffer] niet dodelijk zou (kunnen) treffen. Het is daarom louter een gelukkige omstandigheid dat [slachtoffer] niet dodelijk door (een deel van) de kogel is getroffen. Een geringe afwijking van de baan van heet schot had ertoe kunnen leiden dat hij het niet had overleefd.De hierboven weergegeven uiterlijke verschijningsvorm van de handelswijze van verdachte rechtvaardigt de conclusie dat bewezen wordt dat verdachte opzet had op het doden van [slachtoffer] . Hij vormt tevens de weerlegging van de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij geen opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer] , omdat hij anders wel meerdere schoten zou hebben afgevuurd. Feit 2 Het vuurwapen is later aangetroffen in een heg in de Laurierstraat en verdachte heeft ook ter terechtzitting bevestigd dat hij het vuurwapen daar heeft weggegooid. Aangezien verdachte voor feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 28 april 2022; - het proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Eenheid, Dienst Specialistische Operaties, Afdeling Speur- en specialistische dieren, Team Noord-West Speur- en specialistische dieren, proces-verbaalnummer PL2000-2021202410-34 van 4 augustus 2021 (pagina 29 van het eind proces-verbaal); - het proces-verbaal van Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Specialistische Ondersteuning, Team Forensische Opsporing, Afdeling Wapens, Munitie en explosieven, proces-verbaalnummer PL2000-2021202410 van 5 augustus 2021 (pagina 65-68 van het eindproces-verbaal) waaruit blijkt dat er sprake was van een vuurwapen van categorie III onder 1 en van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 op 30 juli 2021 te St. Willebrord, gemeente Rucphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk, van het leven te beroven, eenmaal, met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 op 30 juli 2021 te St. Willebrord, gemeente Rucphen een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum en munitie van categorie III, te weten 3 kogelpatronen van het merk G.F.L., kaliber .357 Magnum, voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van (putatief) noodweer wat dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte voorafgaand aan onderhavig incident meerdere keren is bedreigd door [slachtoffer] , waarbij hij verdachte onder andere een pistool op het hoofd heeft gezet. Daarnaast is verdachte door [slachtoffer] met een honkbalknuppel geslagen en mishandeld op het terras. Verdachtes familie is benaderd om zijn nieuwe adres te achterhalen nadat verdachte – vanwege het onderliggende conflict met [slachtoffer] – was verhuisd. In de periode voorafgaand aan het incident ervoer verdachte angst. Op de dag zelf dacht verdachte in de handen van [slachtoffer] het wapen te zien waarmee hij eerder was bedreigd. Doordat [slachtoffer] zijn auto zó voor het voertuig van verdachte had gezet dat hij niet weg kon, kon verdachte niet anders dan op de auto van [slachtoffer] schieten ter afwending van een situatie waaruit hij niet weg kon. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat het beroep op (putatief) noodweer moet worden verworpen. Er is geen sprake geweest van een wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij dacht “iets” in handen van [slachtoffer] gezien te hebben, waarvan hij – in een latere verklaring – dacht dat het een wapen was. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat dit “iets” het wapen is waarmee [slachtoffer] hem eerder heeft bedreigd. Deze uiteenlopende verklaringen zijn opmerkelijk, zeker gezien de verklaring van [slachtoffer] dat hij zijn auto niet uit is geweest. Indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van (putatief) noodweer is er naar de mening van de officier van justitie disproportioneel gehandeld door verdachte, doordat verdachte zich op andere wijze had kunnen verdedigen. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Noodweer De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van verdachte – die grotendeels ondersteuning vindt in de verklaring van [slachtoffer] – op geen enkele wijze blijkt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich diende te verdedigen, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daartoe. Er had op 30 juli 2021 – voorafgaand aan onderhavig schietincident – een eerdere confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij verdachte meende gezien te hebben dat [slachtoffer] “iets” in zijn handen had. Over wat dat “iets” was, heeft verdachte pas op zitting verklaard dat hij dacht dat het het vuurwapen was waarmee hij eerder door [slachtoffer] was bedreigd. In de auto van [slachtoffer] is echter geen vuurwapen aangetroffen en het dossier bevat voor het overige geen ondersteunend bewijs voor de stelling van verdachte dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had op 30 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.