RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 22/904 uitspraak van 17 mei 2022 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de invorderingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar. Motivering Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende een betekening van een dwangbevel inzake de aanslag gemeentelijke- en/of waterschapbelastingen met aanslagnummer [aanslagnummer] . Dwangbevel De rechtbank (de fiscale bestuursrechter) is niet bevoegd een inhoudelijke beoordeling te geven. De rechtbank legt dit uit. De (fiscale) bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de invorderingsambtenaar op grond van de Invorderingswet 1990, in verbinding met artikel 231 van de Gemeentewet. Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt, in welk geval de (fiscale) bestuursrechter wel bevoegd is. De beslissing tot betekening van een dwangbevel valt niet onder een van de uitzonderingen. Dat geldt ook voor de (wijze van) betekening als zodanig. Omdat geen beroep bij de (fiscale) bestuursrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk bezwaar te maken. Tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel kan in verzet worden gekomen bij de civiele rechter. De rechtbank is in zoverre dus kennelijk onbevoegd. Betekeningskosten De fiscale bestuursrechter is wel bevoegd te oordelen over eventuele kosten die in rekening zijn gebracht voor de betekening van het dwangbevel, maar dan dient eerst bezwaar te worden gemaakt bij de invorderingsambtenaar. Na ontvangst van een uitspraak op dat bezwaar kan desgewenst daartegen in beroep gegaan worden bij de belastingrechter. Nu eerst een bezwaarfase doorlopen moet worden, moet de rechtbank de brief van 12 februari 2022 en de aanvullend ingediende stukken op grond van artikel 6:15 van de Awb doorzenden naar de invorderingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Die mededeling is hierbij gedaan. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Aangezien de rechtbank onbevoegd is, zal aan de griffier worden opgedragen het griffierecht terug te betalen aan belanghebbende. Beslissing De rechtbank: - verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen het dwangbevel; - verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de betekeningskosten; - draagt de invorderingsambtenaar op het beroepschrift van 12 februari 2022 in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen de kosten van het dwangbevel; - draagt de griffier op het beroepschrift en de aanvullend ingediende stukken door te sturen naar de invorderingsambtenaar; - draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan hem te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 17 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd. Of bezwaar kan worden gemaakt, is namelijk ervan afhankelijk of beroep kan worden ingesteld (artikel 7:1 van de Awb). Artikel 17 van de Invorderingswet 1990.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.