← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:2806

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/2317 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser (gemachtigde: mr. F. Bajrami), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder (gemachtigde: mr. .S.M. Schipper). Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 15 december 2021 tegen het besluit van 4 november 2021 betreffende de aanvraag van 10 september 2021 als bedoeld in artikel 6 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. Eiser heeft het bezwaarschrift tegen het besluit van 4 november 2021 ingediend op 15 december

  1. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn van zes weken voorbij is. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een beslistermijn van twaalf weken. Dat staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. Op grond van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb is de termijn voor het nemen van het besluit opgeschort van 21 december 2021 tot en met 23 december
  2. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 21 februari 2022 de beslistermijn op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb verdaagd met zes weken. In dit geval eindigde de beslistermijn op 25 april
  3. Eiser heeft verweerder op 12 april 2022 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 20 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.