RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/4989 WIA uitspraak van 18 januari 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster, gemachtigde: mr. N.J. Brouwer, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), het UWV. Procesverloop Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 september 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 9 november
- De rechtbank heeft het onderzoek geschorst teneinde een deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek. Op 16 maart 2021 heeft verzekeringsarts D. Erdogan verzoekster onderzocht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in het deskundigenrapport van 22 maart
- Bij besluit van 1 juni 2021 heeft het UWV naar aanleiding van het deskundigenrapport een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij verzoeksters bezwaar gegrond is verklaard en verzoekster voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Vervolgens heeft verzoekster het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft bij brief van 2 september 2021 aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
- Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 1 juni 2021 dat het UWV aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,‑ en wegingsfactor 1). Daarnaast heeft verzoekster vergoeding gevraagd voor de reiskosten van € 53,72 die zij heeft gemaakt in verband met de afspraak bij de deskundige. Deze kosten komen ook voor vergoeding in aanmerking.
- De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 47,- aan verzoekster dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is. Beslissing De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.496,- en de reiskosten tot een bedrag van € 53,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Graumans, griffier, op 18 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.