RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/8596 ZORG uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2022 in de zaak tussen [naam eiseres] , te [Plaatsnaam] , eiseres gemachtigde: [naam gemachtigde] , en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder. Procesverloop In het besluit van 28 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van eiseres inzake haar recht op huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget voor het jaar 2019 gedeeltelijk gegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 10 december
(2018)al toeslagpartners waren. Dat, zoals eiseres heeft aangevoerd, [naam ex partner] en zij apart aangifte voor de inkomstenbelasting deden, leidt niet tot een ander oordeel. Het betreft hier twee verschillende afdelingen van de Belastingdienst met ieder eigen regelgeving. Nu het gezamenlijk toetsingsinkomen van eiseres en [naam ex partner] voor de maanden januari tot en met maart 2019 te hoog is voor het recht op kindgebonden budget en huurtoeslag -wat door eiseres ook niet wordt betwist- heeft de Belastingdienst/Toeslagen naar het oordeel van de rechtbank terecht bepaald dat eiseres over die maanden geen recht op kindgebonden budget en huurtoeslag heeft. 5.2.2 April en mei 2019 Voor de maanden april en mei 2019 geldt dat de Belastingdienst/Toeslagen in haar verweerschrift heeft toegezegd nieuwe beschikkingen af te zullen geven waarbij over deze twee maanden [naam ex partner] niet langer als toeslagpartner wordt beschouwd. De rechtbank leidt hieruit af dat aan eiseres alsnog voor de maanden april en mei 2019 kindgebonden budget en huurtoeslag zal worden toegekend. Het beroep van eiseres voor zover dit betrekking heeft op deze twee maanden, behoeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen verdere bespreking meer. Er zal immers aan de bezwaren van eiseres met betrekking tot deze maanden tegemoet worden gekomen. 5.3 Terugvordering In artikel 26 van de Awir, is bepaald dat indien een herziening van een tegemoetkoming of voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de betrokkene (lees: eiseres) het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen moet artikel 26 van Awir niet langer zo worden uitgelegd dat dwingend voorgeschreven is dat de Belastingdienst/Toeslagen het gehele bedrag dat eiseres is verschuldigd terugvordert. De Belastingdienst/Toeslagen moet bij het besluit tot terugvordering op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen en de Belastingdienst/Toeslagen kan onder bijzondere omstandigheden van terugvordering afzien of het terug te vorderen bedrag matigen. Die belangenweging op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb komt er in de kern op neer dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor eiseres niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft beleidsregels opgesteld in het Verzamelbesluit Toeslagen over (onder meer) de belangenweging bij het terugvorderen. Zo kunnen alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering. Als bij de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden gehele terugvordering onevenredig is, kan de Belastingdienst/Toeslagen afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen. In het Verzamelbesluit heeft de Belastingdienst/Toeslagen ook verwoord wanneer van bijzondere omstandigheden geen sprake is. Dat is bijvoorbeeld het geval als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Dat is het geval in de situatie van eiseres. Daarom is er in het geval van eiseres geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien of het terug te vorderen bedrag kan worden gematigd. Aanvullende omstandigheden zijn volgens de rechtbank niet gesteld. Het had op de weg van eiseres gelegen om deze omstandigheden, mochten die er zijn, in de procedure te brengen. Nu dat niet is gebeurd, is er voor de Belastingdienst/Toeslagen geen aanleiding geweest om af te zien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering te matigen. Voor zover eiseres stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen ook bij [naam ex partner] het terug te vorderen bedrag, of een deel daarvan, moet terugvorderen, overweegt de rechtbank dat eiseres degene is die de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Dat maakt dat eiseres degene is die als belanghebbende als bedoeld in artikel 26 van de Awir het terug te vorderen bedrag verschuldigd is aan de Belastingdienst/Toeslagen. Dat ingevolge artikel 33 van de Awir de ex-partner van eiseres hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden, wil niet zeggen dat de Belastingdienst/Toeslagen ook gehouden is om [naam ex partner] aansprakelijk te stellen. Uit de memorie van toelichting bij de Awir (Kamerstukken II 2004/05, 29764, 3, pagina 58) alsmede uit een uitspraak van de Afdeling van 3 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7621) volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen als algemeen uitgangspunt kan nemen dat hij pas overgaat tot aansprakelijkstelling van de (ex-)partner, indien de aanvrager de schuld die voortvloeit uit het besluit tot terugvordering onbetaald laat. Dit wil echter niet zeggen, aldus de Afdeling, dat de tekst van artikel 33 van de Awir zich er tegen verzet dat ook in andere gevallen de ex-partner van de belanghebbende aansprakelijk kan worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval niet worden geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen onzorgvuldig heeft gehandeld jegens eiseres door het teveel betaalde bedrag aan voorschotten van haar terug te vorderen en de ex-partner van eiseres hiervoor niet (meteen) aansprakelijk te stellen. Het vorenstaande laat onverlet dat, voor zover er nog een vordering openstaat, eiseres de Belastingdienst/Toeslagen kan verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling, afgestemd op haar betalingscapaciteit. 5.4 Tot slot Eiseres heeft er om haar moverende redenen voor gekozen om niet naar de zitting te komen. De rechtbank heeft hier uiteraard begrip voor, maar merkt op dat zij hierdoor niet heeft kunnen navragen bij eiseres of de rechtbank de beroepsgronden die eiseres in de diverse (aanvullende) beroepschriften heeft aangevoerd juist heeft begrepen. Ook heeft de rechtbank daardoor niet kunnen nagaan op welke punten eiseres nog nadere uitleg had willen krijgen. Vooralsnog gaat de rechtbank ervan uit dat zij in deze uitspraak de standpunten en stellingen van eiseres goed heeft verwoord en dat zij hier voldoende op heeft gereageerd. Wat de rechtbank eiseres nog wil meegeven, is dat het de volgende keer dat eiseres te maken krijgt met een beroepsprocedure zinvol kan zijn om toch naar de zitting te gaan.
- Conclusie Voor zover het beroep betrekking heeft op het recht op zorgtoeslag over 2019 zal het niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Voor zover het beroep betrekking heeft op het recht op kindgebonden budget en huurtoeslag over de maanden januari tot en met maart 2019 zal het ongegrond worden verklaard. Voor zover het beroep betrekking heeft op het recht op kindgebonden budget en huurtoeslag over de maanden april tot en met mei 2019 zal het gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de hiervoor genoemde twee maanden. De Belastingdienst/Toeslagen zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat de rechtbank het beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaart, moet de Belastingdienst/Toeslagen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover dit betrekking heeft op het recht op zorgtoeslag over 2019 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover dit betrekking heeft op het recht op kindgebonden budget en huurtoeslag over 2019 ongegrond; - verklaart het beroep voor zover dit betrekking heeft op het recht op kindgebonden budget en huurtoeslag over de maanden april tot en met mei 2019 gegrond; - draagt de Belastingdienst/Toeslagen op om binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met betrekking tot het recht op kindgebonden budget en huurtoeslag van eiseres over de maanden april tot en met mei 2019; - draagt de Belastingdienst/Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 48,-- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 21 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bijlage – wettelijk kader Op grond van artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing. In artikel 1 van de Wet op het kindgebonden budget (Wet kgb) is bepaald dat het kindgebonden budget een financiële bijdrage van het Rijk is in de kosten voor kinderen en dat de hoogte van het kindgebonden budget afhankelijk is van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen. Op de Wet kgb is de Awir van toepassing. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Awir is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt partner van de belanghebbende. Artikel 3, tweede lid, luidt als volgt: (…) e. die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander; f. voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het berekeningsjaar wordt aangemerkt als partner van de belanghebbende, of g. die in het aan het berekeningsjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belanghebbende was. Artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt:
- Als partner wordt aangemerkt: (…) b. de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.
- Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het kalenderjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het kalenderjaar, voor zover hij in die perioden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen (…). In artikel 26 van de Awir is (voor zover hier van belang) bepaald dat indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd.