RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/301673-19 vonnis van de meervoudige kamer van 3 juni 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987 wonende te [adres] raadsman mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 mei 2022, waarbij de officier van justitie, mr. K. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 1. samen met anderen heeft geprobeerd om [naam] af te persen; 2. een mes voorhanden heeft gehad. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij voor feit 1 op de aangifte van [naam] , de verklaring van verdachte en de verklaringen van de in de kapperszaak aanwezige getuigen. Het geweld heeft bestaan uit meerdere klappen en de dreiging met geweld bestond uit het in groepsverband betreden van de kapperszaak gekleed in motorclubhesjes. Mede gelet op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] is sprake van medeplegen. Voor feit 2 baseert de officier van justitie zich op de bevindingen van de politie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak voor beide tenlastegelegde feiten. De raadsman voert daartoe voor feit 1 aan dat de verklaringen van [naam] volstrekt ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn en daarom uitgesloten moeten worden van het bewijs. Daarnaast was er geen oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling. Het geld betrof een lening en diende te worden teruggegeven. Ten slotte blijkt uit het dossier niet dat het geweld dan wel de bedreiging met geweld in verband stond met de afgifte van het geld, waardoor er geen sprake kan zijn van afpersing. Verdachte heeft slechts bemiddeld en verzocht om het geld. Hij deed dat alleen en niet in vereniging. Met betrekking tot feit 2 stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte het mes in zijn eigen huis aanwezig mocht hebben. Onder die omstandigheden valt het mes niet onder de reikwijdte van artikel 13 van de Wet wapens en munitie. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 Betrouwbaarheid en geloofwaardigheid verklaring [naam] Met betrekking tot de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangever [naam] overweegt de rechtbank dat [naam] zijn verklaring een aantal keer heeft bijgesteld en over sommige onderwerpen geen openheid van zaken heeft willen geven. Dit gegeven maakt dat de rechtbank kritisch naar deze verklaringen kijkt. De reden dat de rechtbank de verklaringen desalniettemin op onderdelen voldoende betrouwbaar acht om deze toch voor het bewijs te gebruiken, is gelegen in het feit dat de verklaringen, voor zover deze zien op wat er op 21 en 22 november 2019 in de kapperszaak van [naam] is voorgevallen, in belangrijke mate en op overtuigende wijze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank wijst in dat kader op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] , maar met name op de verklaring van verdachte zelf. Hij erkent dat hij op twee momenten samen met één of meer personen naar de kapperszaak van [naam] is toegegaan en daar voor iemand anders om teruggave van een flink geldbedrag heeft gevraagd, terwijl hij en de anderen op dat moment hun motorhesje droegen. Gelet hierop wordt het verweer van de raadsman verworpen. Vaststellen van de feiten Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen - kort samengevat - de volgende gang van zaken op 21 en 22 november 2019 worden afgeleid. Op 21 november 2019 zijn verdachte en [medeverdachte] met anderen naar de kapperszaak van [naam] gegaan om een geldbedrag te incasseren. Zij droegen bij binnenkomst allemaal een hesje van een motorclub. Verdachte heeft op dat moment tegen [naam] gezegd dat hij de dag erna zou terugkeren om geld op te komen halen. Op 22 november 2019 zijn verdachte en [medeverdachte] teruggegaan naar de kapperszaak. Verdachte en de medeverdachte droegen toen wederom een motorhesje en verdachte heeft [naam] gevraagd naar geld. [naam] heeft vervolgens duidelijk gemaakt dat hij geen geld ging geven. Kort hierna is [naam] geslagen door verdachte en [medeverdachte] . Om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit te komen, dient de rechtbank de vragen te beantwoorden of er sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke bevoorde-ling en daarnaast of er sprake was van (een dreiging met) geweld die in direct verband stond met het innen van geld. (Bedreiging met) geweld in relatie tot het moeten afstaan van een geldbedrag De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door zowel op 21 als op 22 november 2019 met meerdere personen en gekleed in motorclubhesjes naar de kapperszaak van [naam] te gaan waarbij er op 22 november daadwerkelijk klanten in de zaak aanwezig waren, een situatie heeft gecreëerd die voor [naam] zeer bedreigend moet zijn geweest. Door het dragen van de hesjes van hun motorclub tijdens het bezoek werd immers de boodschap overgebracht dat de motorclub achter het bezoek stond. Het is een feit van algemene bekendheid dat motorclubs bij het grote publiek bekend staan als organisaties waarvan de leden regelmatig met justitie in aanraking komen en die het geweld niet schuwen. Nu verdachte voorts op 21 november 2019 om geld heeft gevraagd en daarbij heeft aangegeven dat hij 22 november daarvoor terug zou komen, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende verband bestaat tussen de bedreiging met geweld en het moeten afstaan van een geldbedrag. De rechtbank overweegt verder dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam] door verdachte en [medeverdachte] is geslagen. Voor de rechtbank staat echter onvoldoende vast dat dit geweld is gepleegd om afgifte van een geldbedrag te bewerkstelligen. [naam] heeft zelf verklaard dat toen verdachte en hij uit de keuken kwamen, hij boos was en tegen de verwarming heeft getrapt. De rechtbank kan daardoor niet uitsluiten dat het geweld van verdachte en [medeverdachte] een reactie daarop was en los stond van het te innen geldbedrag. De rechtbank kent daarbij gewicht toe aan het feit dat het geweld niet heeft plaatsgevonden in de afgesloten ruimte waar verdachte kort daarvoor met [naam] was en alwaar over geld was gesproken, maar heeft plaatsgevonden in het publieke deel van de kapperszaak waar ook daadwerkelijk getuigen aanwezig waren. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat het geweld in rechtstreeks verband stond met het innen van een geldbedrag en zal verdachte op dit punt vrijspreken. Oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling De rechtbank overweegt dat het feit dat de opdrachtgever van verdachte - mogelijk - recht had op terugbetaling van een geldbedrag door [naam] , een bewezenverklaring van het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling niet in de weg staat. Dit oogmerk hoeft niet gericht te zijn op de eigen bevoordeling en kan ook bestaan indien verdachte moet hebben beseft dat hij door zijn handelwijze de grenzen van het maatschappelijk betamelijke in vergaande mate overschreed. De rechtbank is van oordeel dat van dit laatste sprake is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en acht dan ook bewezen dat verdachte het oogmerk had op wederrechtelijke bevoordeling. Conclusie Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een poging tot afpersing door middel van bedreiging met geweld in vereniging gepleegd. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 in de periode 21 november 2019 tot en met 22 november 2019 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.