RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 21/5067 uitspraak van 3 juni 2022 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Motivering Belanghebbende heeft bij de inspecteur een beroepschrift ingediend betreffende de ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting 2016 met aanslagnummer [aanslagnummer] en de bij beschikking opgelegde verzuimboete. De inspecteur heeft het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank omdat de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen. Voor het beroep is belanghebbende griffierecht verschuldigd van € 360,00. De griffier heeft belanghebbende daarover schriftelijk geïnformeerd. De griffier heeft belanghebbende in een aangetekende brief van 24 december 2021 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. In verband met het beroep op betalingsonmacht heeft de griffier bij brief van 7 januari 2022 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de betalingsonmacht te onderbouwen zowel van belanghebbende zelf als voor iedere bestuurder en aandeelhouder afzonderlijk. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Deze brief is aangetekend verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres. Daarop is de brief op 11 januari 2022 nogmaals naar het opgegeven adres gestuurd, nu per gewone post en met een laatste termijn van twee weken. Belanghebbende heeft bij brief van 13 januari 2022 informatie verstrekt. De griffier heeft vervolgens het beroep op betalingsonmacht afgewezen. De griffier heeft belanghebbende in een aangetekende brief van 25 februari 2022 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Deze brief is aangetekend verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres. Daarop is de brief op 8 maart 2022 nogmaals naar dat adres gestuurd, nu per gewone post. Op 18 maart 2022 wordt de brief van 8 maart 2022 retour ontvangen met op de achterkant van de brief de opmerking: “Wij hebben geen contract met u!! Vieze podagonisten v.d. maffiastaat Bv Nederland U. zij Gegroet!! 8.8.” Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht niet is ontvangen. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Hier is niet gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Opmerking verdient daarbij dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen. De rechtbank volgt de lijn van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat rechtspersonen eveneens een beroep kunnen doen op betalingsonmacht. Bij de beoordeling of een rechtspersoon met succes een beroep kan doen op betalingsonmacht, moet niet alleen worden beoordeeld of de rechtspersoon inkomen of vermogen heeft waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden voldaan, maar ook of de aandeelhouders en/of bestuurders van de rechtspersoon in staat moeten kunnen worden geacht de financiële middelen te verstrekken om het verschuldigde griffierecht te voldoen. Op basis van de door belanghebbende ingebrachte gegevens kan niet worden vastgesteld dat sprake is van betalingsonmacht. Belanghebbende heeft namelijk geen gegevens van bankrekeningen, inkomen (of de winst) en het vermogen van de rechtspersoon ingebracht, hoewel de griffier daar in de brief wel expliciet om had gevraagd. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 3 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. ECLI:NL:GHSHE:2016:706 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:706 en Hoge Raad 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2020.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.