RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 21/4558 uitspraak van 3 juni 2022 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Motivering Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraak op bezwaar tegen de betalingen op aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm). Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende tijdens de bezwaarfase niet is gehoord. Het beroep van belanghebbende is dan ook kennelijk gegrond. De uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd. Beide partijen hebben verzocht om de zaak terug te wijzen. De rechtbank zal dit doen. Griffierecht Nu het beroep kennelijk gegrond is, dient de inspecteur op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden. Proceskosten De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 379,50. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,5 gehanteerd omdat het gaat om een kennelijk gegrond beroep omdat de hoorplicht is geschonden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - draagt de inspecteur op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 379,50 - bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 aan hem vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 3 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR). Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.