← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:3043

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers BRE 22/677 en 22/678 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2022 in de zaken tussen [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]), en de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar. Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2021 met zaaknummer 20/6422 (ECLI:NL:RBZWB:2021:601) en de daarop volgende uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 december 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:3610). Na de betreffende procedures staat vast dat de heffingsambtenaar opnieuw moet beslissen op het bezwaar van belanghebbende. Belanghebbende stelt nu beroep in omdat de heffingsambtenaar dat volgens hem niet (tijdig) heeft gedaan. Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in dit geval prematuur in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar had namelijk na het onherroepelijk worden van de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch nog zes weken de tijd om te beslissen op het bezwaar. Deze termijn verstreek op 24 februari 2022. De heffingsambtenaar is echter al op 30 januari 2022 in gebreke gesteld. De ingebrekestelling is dus prematuur gedaan en daarmee is het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk. Een dwangsom is niet verschuldigd. Dat de heffingsambtenaar tot op heden (kennelijk) nog geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan, maakt dat niet anders. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat zij dit nog wel moet doen. Immers is lopende de hogerberoepsprocedure al uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank om uitspraak op bezwaar te doen. Tijdens de hogerberoepsprocedure was de heffingsambtenaar echter niet bevoegd uitspraak op bezwaar te doen. Dit moet dus alsnog gebeuren. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Immateriëleschadevergoeding Belanghebbende heeft om een immateriëleschadevergoeding verzocht. De rechtbank wijst dit verzoek af nu de redelijke termijn voor deze beroepsprocedure over het niet tijdig beslissen niet is overschreden. Griffierecht en proceskosten Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is er geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht en de proceskosten Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 3 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, (de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen) Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Zie Gerechtshof Amsterdam 16 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1982, r.o. 4.2.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.