RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 21/51 PW en BRE 21/52 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2022 in de zaak tussen [naam eiseres] , te [plaatsnaam 1] , eiseres gemachtigde: mr. F. Ergec, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, verweerder. Procesverloop In het besluit van 20 februari 2020 (primair besluit 1) heeft het college het recht op bijstand ingetrokken met ingang van 29 november 2018. In het besluit van 21 februari 2020 (primair besluit 2) heeft het college de over de periode van 29 november 2018 tot en met 29 december 2019 ten onrechte verstrekte bijstand, ten bedrage van € 16.272,57 bruto, van eiseres teruggevorderd. In het besluit van 25 november 2020 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 1 gegrond verklaard en de ingangsdatum van de intrekking gewijzigd vastgesteld op 19 januari 2019. In een apart besluit van eveneens 25 november 2020 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit 2 gegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag gewijzigd vastgesteld op € 14.450,57. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van de rechtbank op 22 april 2022. Eiseres was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.H.J. Aarts. Overwegingen 1. Feiten Eiseres ontving sinds 20 november 2017 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Zij woonde tot en met 31 december 2019 met haar twee minderjarige kinderen op het uitkeringsadres op het [adres] 22 te [plaatsnaam 2] . Eind 2018/begin 2019 heeft het college onderzoek gedaan naar de inkomenssituatie van eiseres. Hoewel in dat onderzoek werd vastgesteld dat haar huurkosten haar bijstandsuitkering overstegen en dat vragen opriep, werd bij besluit van 18 januari 2019 het recht op bijstand ongewijzigd voortgezet. Wel werd afgesproken dat eiseres een woonkostentoeslag zou aanvragen. Omdat eiseres op 29 november 2019 nog altijd geen woonkostentoeslag had aangevraagd en niet reageerde op verzoeken om aanvullende gegevens in te leveren, heeft het college de sociale recherche gevraagd onderzoek te doen naar de inkomenssituatie van eiseres. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 februari 2020. Geadviseerd werd tot intrekking en terugvordering van de bijstand per 28 november 2018 omdat het recht niet is vast te stellen. In de ‘rapportage beëindiging’ van 20 februari 2020 is het advies integraal overgenomen. Het recht op bijstand zal worden ingetrokken over de periode van 29 november 2018 tot en met 29 december 2019. Eiseres heeft over deze periode verzuimd duidelijk te maken hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien. Hangende het onderzoek heeft eiseres de uitkering per 30 december 2019 zelf beëindigd. In het besluit van 20 februari 2020 (primair besluit 1) is het recht op uitkering per 29 november 2018 ingetrokken. Over deze periode is niet duidelijk geworden hoe eiseres in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Eiseres heeft haar inlichtingenplicht geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In het besluit van 21 februari 2020 (primair besluit 2) heeft het college de over de periode van 29 november 2018 tot en met 29 december 2019 ten onrechte verstrekte bijstand, ten bedrage van € 16.272,57 bruto, van eiseres teruggevorderd. Tegen deze besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt. Op 10 augustus 2020 vond de hoorzitting plaats. De bezwaaradviescommissie heeft geadviseerd de bezwaren deels gegrond te verklaren, in die zin dat de intrekkingsperiode niet op 29 november 2018 dient aan te vangen, maar op 19 januari 2019, te weten de dag na afronding van het vorige rechtmatigheidsonderzoek. De periode waarover dient te worden teruggevorderd, dient ook te worden aangepast naar 19 januari 2019 tot en met 29 december 2019. Het terugvorderingsbedrag komt daardoor op € 14.450,57. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien, is niet gebleken. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 24 van de Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2020. In het bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het intrekkingsbesluit, onder verwijzing naar het advies van de commissie, gegrond verklaard onder toekenning van een proceskostenvergoeding. Het recht op bijstand wordt ingetrokken met ingang van 19 januari 2019. In het bestreden besluit II heeft het college het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit, onder verwijzing naar het advies van de commissie, gegrond verklaard onder toekenning van een proceskostenvergoeding. Omdat de intrekkingsperiode in bezwaar is aangepast, dient de hoogte van het terugvorderingsbedrag overeenkomstig te worden verlaagd naar € 14.450,57 bruto. 2. In geschil is de intrekking en terugvordering van het recht op bijstand over de periode van 19 januari 2019 tot en met 29 december 2019. 3. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte tot intrekking en terugvordering van haar bijstandsuitkering is overgegaan. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan en eiseres is in onvoldoende mate in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te overleggen. Het college was van meet af aan op de hoogte van de hoge huur die eiseres betaalde. Indien het college van mening was dat eiseres, gelet op de huurkosten, geen recht had op bijstand, dan had het college geen bijstand moeten toekennen. Eiseres doet in dat kader een beroep op het vertrouwensbeginsel. Er is sprake van een onredelijke lange afhandeling van de intrekking. Er zijn dringende redenen om van terugvordering af te zien, omdat eiseres de zorg heeft over haar minderjarige kinderen en zij door de hoogte van de terugvordering in betalingsproblemen komt. 4. Wettelijk kader De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. 5. Beoordeling door de rechtbank 5.1 De te beoordelen periode loop van 19 januari 2019 tot en met 29 december 2019. Intrekking 5.2 De rechtbank stelt voorop dat een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand een belastend besluit is, waardoor het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat op het college in beginsel de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan. 5.3 De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het rapport van 5 februari 2020 terecht tot de conclusie heeft kunnen komen dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, omdat onvoldoende duidelijk is hoe eiseres over de periode van 19 januari 2019 tot en met 29 december 2019 in de kosten van haar levenshoud heeft kunnen voorzien. Eiseres ontving in die periode een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder, zijnde € 974,27 per maand. Niet in geschil is dat eiseres gedurende de intrekkingsperiode maandelijks een huurbedrag moest betalen dat hoger was dan haar bijstandsuitkering, namelijk € 1.020,00. Bij het vorige rechtmatigheidsonderzoek heeft eiseres te kennen gegeven huursubsidie/een woonkostentoeslag aan te zullen vragen, maar vast staat dat eiseres dat niet heeft gedaan. Alle inkomsten en uitgaven op een rij zettend, heeft de sociale recherche berekend dat eiseres per maand € 100,00 overhoudt om van te leven met twee opgroeiende kinderen. Dit is aanzienlijk lager dan het door het Nibud vastgestelde bedrag van € 300,00 per maand voor een drie persoonshuishouden. Weliswaar is de Nibud-norm geen harde norm, maar deze norm vormt op grond van vaste rechtspraak een algemeen geaccepteerd richtsnoer om te bepalen hoeveel wordt uitgegeven voor levensonderhoud. Als een bijstandsgerechtigde daaraan veel minder uitgeeft, moet daarvoor een afdoende verklaring worden gegeven. 5.4 Met het college is de rechtbank van oordeel dat eiseres haar bijzondere lage uitgavepatroon onvoldoende heeft verklaard. De sociale recherche heeft vastgesteld dat eiseres over de periode van 29 november 2018 tot en met december 2019 in 8 van de 13 maanden geen enkele pinbetaling heeft gedaan voor levensonderhoud en dat eiseres evenmin contante bedragen heeft opgenomen van haar rekeningen. Dat eiseres in deze maanden in het geheel geen uitgaven voor levensonderhoud heeft hoeven doen, acht de rechtbank niet geloofwaardig en strookt ook niet met de posten waar zij wel via haar bankrekening geld aan uitgeeft. Zo heeft eiseres bijvoorbeeld ter zitting verklaard dat zij haar kinderen onverplicht (zij werkte immers niet) naar de tussenschoolse opvang liet gaan, waarvoor zij maandelijks een bedrag van ten minste € 40,00 betaalde en waarvoor zij daarnaast zelf de kinderen lunch diende mee te geven. Waar en waarvan zij de boodschappen deed om de fruitbakjes en de lunchtrommels van de kinderen te vullen, is niet duidelijk geworden. Het ‘gat’ tussen de Nibud norm van € 300,00 en de € 0,00 die eiseres in de meeste maanden op papier uitgaf, is te groot en is door eiseres onvoldoende verklaard. Eiseres heeft tijdens het verhoor bevestigd dat zij niet kan rondkomen van de uitkering en daarom schulden maakt, maar eiseres heeft geen enkele gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij schulden is aangegaan. 5.5 Alles tezamen genomen, heeft eiseres onvoldoende informatie verschaft over de vraag hoe zij gedurende de intrekkingsperiode in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Eiseres heeft die onduidelijkheid in bezwaar en beroep niet opgeheven. Het college heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden en daardoor het recht van eiseres op bijstand over de periode van 19 januari 2019 tot en met 29 december 2019 niet is vast te stellen. De rechtbank concludeert dan ook dat het college terecht heeft besloten tot intrekking van het recht op bijstand. Vertrouwensbeginsel? 5.6 Eiseres heeft met een beroep op het vertrouwensbeginsel aangevoerd dat het college van meet af aan al op de hoogte was van haar (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.