RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 20/10067 uitspraak van 9 juni 2022 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 1 december 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar op aangifte voldane belastingen van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2022 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende A.F.M.J. Verhoeven en J.A. Cardol (hierna: de gemachtigde), verbonden aan Netcar Juridische Dienstverlening B.V. te Westerhoven, en namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur]. Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden. 1Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond; verklaart zich onbevoegd om in deze procedure uitspraak te doen over de verzochte (invorderings- of belasting)rentevergoeding; verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de ambtshalve teruggaaf; veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 1.000; veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 759; gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 354 aan haar vergoedt; beslist dat, indien de immateriëleschadevergoeding, de proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan. 2Gronden Vooraf Passeren wrakingsverzoek 2.1. De rechtbank passeert het door belanghebbende gedane wrakingsverzoek. De rechtbank verwijst daartoe naar de overwegingen in haar eerdere uitspraak van 11 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2572, die hier als herhaald en ingelast kunnen worden beschouwd. In die uitspraak was hetzelfde wrakingsverzoek als in deze zaak aan de orde. Regievoering 2.2. De rechtbank heeft in deze zaak in het kader van regievoering op 29 oktober 2021 partijen een brief gestuurd over de behandeling van de zaak op de zitting. De rechtbank verwijst daartoe naar de overweging 2.5 in haar eerdere uitspraak van 11 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2572, die hier als herhaald en ingelast kan worden beschouwd. 8:42 stukken 2.3. Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting aangevoerd dat de inspecteur nog bepaalde stukken in moet brengen en dat de rechtbank deze moet vorderen. De rechtbank is van oordeel dat dit te laat is aangevoerd gelet op de regievoering die voorafgaand aan de zitting heeft plaatsgevonden. Onduidelijk is wat het belang van de stukken is in het licht van de reeds aangevoerde beroepsgronden. Voor zover belanghebbende het er om zou gaan om in die stukken aanknopingspunten te vinden voor nieuwe beroepsgronden, wordt in strijd met de goede procesorde gehandeld gelet op de eerdere regievoering. Buiten beschouwing laten aanvullende stukken gemachtigde 2.4. De rechtbank laat in het kader van het belang van een goede procesorde de reacties van de gemachtigde naar aanleiding van de brief van de rechtbank van 29 oktober 2021 verder buiten beschouwing gelet op het taalgebruik. In het geval van belanghebbende gaat het om de volgende ingediende stukken: - pleitnota met dagtekening van 10 november 2021 in de zaak met zaaknummer 20/10067; - pleitnota met dagtekening van 28 februari 2022 in de zaak met zaaknummer 20/10067; - e-mail ‘reactie op wrakingsverzoek’ met dagtekening van 8 maart 2022 in alle zaaknummers; - e-mail ‘pleitaantekeningen’ met dagtekening van 9 maart 2022 in alle zaaknummers. De rechtbank heeft per brief van 1 december 2021 de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om geschoonde stukken in te dienen. De gemachtigde heeft per e-mail van 3 december 2021 gereageerd, waarbij hij – kort en zakelijk weergegeven – stelt dat hij van die gelegenheid geen gebruik gaat maken. De rechtbank heeft per e-mail van 1 maart 2022 de gemachtigde voor de tweede keer in de gelegenheid gesteld om geschoonde stukken in te dienen en daarbij ook gewaarschuwd dat als er nieuwe stukken worden ontvangen die onbetamelijk taalgebruik en/of ongefundeerde aantijgingen jegens de rechtelijke macht bevatten, deze ook buiten beschouwing zullen worden gelaten. Uit de twee reacties die de rechtbank op 1 maart 2022 heeft ontvangen, maakt zij op dat gemachtigde geen gebruik maakt om geschoonde stukken in te dienen. De rechtbank heeft eerder een dergelijke sanctie ook toegepast en daarnaast is deze sanctie ook eerder door andere feitenrechters toegepast. Bij deze beslissing heeft de rechtbank ook acht geslagen op het onnodig grievende taalgebruik dat de gemachtigde in andere procedures, zowel bij deze rechtbank als bij andere gerechten, heeft gebezigd. Inhoudelijk Aanleiding 2.5. Belanghebbende heeft aangifte gedaan van de door haar op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet Bpm) verschuldigde belasting van € 17.076 ter zake van de registratie van een [merk] [nummer] en als datum van eerste toelating 8 augustus 2018. Bij de bepaling van de afschrijving is uitgegaan van de koerslijst [X]. 2.6. De voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden op 7 december 2018. Op 9 mei 2019 vindt de eerste registratie van de auto plaats in Nederland. Belanghebbende heeft op 16 mei 2019 hiertegen een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De inspecteur heeft in dezelfde brief besloten tot een ambtshalve teruggave van € 2.201 vanwege leeftijdskorting. 2.7. Het geschil in beroep betreft de hierna aan de orde komende onderwerpen. Is het verdedigingsbeginsel dan wel de hoorplicht geschonden? 2.8. Belanghebbende stelt dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel dan wel de hoorplicht is geschonden doordat zij voorafgaande aan het doen van de uitspraak op bezwaar niet is gehoord. De inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat hij voldoende gelegenheid heeft gegeven aan belanghebbende om te worden gehoord, maar dat belanghebbende steeds niet op de uitnodigingen om gehoord te worden is ingegaan. 2.9. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt de inspecteur, voordat hij op een bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord (hoorplicht). 2.10. Voor deze zaak staat vast dat belanghebbende verzocht heeft om gehoord te worden. De rechtbank overweegt als volgt. 2.10.1. De inspecteur heeft bij brief van 18 augustus 2020 belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 25 augustus 2020. In de bijlage van die uitnodiging zit een lijst met de zaken waarop dat hoorgesprek betrekking heeft. Per brief van 10 september 2020 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals uitgenodigd voor een hoorgesprek op 28 september 2020. De inspecteur heeft bij brief van 1 oktober 2020 belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 20 oktober 2020. Bij brief van 17 november 2020 nodigt de inspecteur belanghebbende uit voor een hoorgesprek op 30 november 2020. Daarbij meldt de inspecteur dat het ook mogelijk is om telefonisch of per tweezijdige videoverbinding gehoord te worden. De inspecteur verwijst in de uitspraak van bezwaar naar een e-mail van de gemachtigde van 20 november 2020. Deze e-mail zit niet in het procesdossier. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 juni 2022 over hetzelfde hoorgesprek een beslissing genomen, waarin ook een e-mail van 20 november 2020 aan de orde is. De rechtbank gaat ervan uit dat het om dezelfde e-mail gaat. De rechtbank verwijst voor de tekst van de e-mail van 20 november 2020 naar de tekst zoals opgenomen in de overweging 2.11.2 uit haar eerdere uitspraak: “U refereert naar een voorstel wat wij u gedaan hebben, in het begin van het jaar, namelijk als gevolg van de corona crisis, starten met digitale toezending van 25 bezwaarschriften per week, uiterlijk op maandag om 10.00 uur en horen aan het eind van de week of de maandag volgende op de week van toezending. U heeft daar geen gehoor aan gegeven. Wel stuurt u grote aantallen, waarmee u tracht te stellen dat u inzagerecht heeft verleend en de mogelijkheid van horen heeft verleend!! U stelt dat er grote aantallen gehoord moeten worden, omdat u achterstanden heeft opgelopen en ik namens belanghebbenden 50 bezwaren per week instuur. (…) Fysieke hoorgesprekken. Het zal u niet ontgaan zijn dat wij sinds dit jaar te maken hebben met een heel bijzondere situatie, de corornacrisis. Het zal nog wel even voortduren, ondanks de positieve signalen van vaccins en geneesmiddelen. Ook in 2021 zullen wij nog last ondervinden van de coronacrisis. (…) Fysieke hoorgesprekken zijn dus uitgesloten. Ik merk daarbij nog op dat u de hoorgesprekken niet vooraf laat gaan door inzagerecht op dezelfde dag, dus moeten wij 2 keer per week fysiek verschijnen in [plaats]!! Ook dat is nog eens een heel erg klantonvriendelijke benadering, louter ingegeven in onze optiek om de rechten van klanten te beperken en waar mogelijk mijn klanten op te lichten en te belazeren!! Voorstel. (…) Ik wijs uw voorstel af. Ik persisteer in mijn voorstel, 25 stuks per week, als het goed loopt kunnen we na een aantal weken bekijken of we de aantallen (licht) kunnen verhogen, wekelijks maandag voor 10.00 uur toegezonden, dezelfde week gehoord, of de week daarop.” De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aan zijn hoorplicht heeft voldaan, nu de inspecteur voldoende gelegenheid heeft geboden om te horen in onderhavige zaak. Daarnaast heeft de inspecteur in verband met de coronamaatregelen aangegeven dat zowel fysiek inzage kan worden verkregen in de stukken als elektronisch, namelijk door de ingescande dossiers te verzenden. Ook het horen heeft de inspecteur zowel fysiek aangeboden als door middel van (beeld)bellen. Gemachtigde heeft hiertegen aangevoerd dat niet meer dan 25 ingescande dossiers per week kunnen worden behandeld. De gemachtigde heeft in zijn stukken niet onderbouwd waarom dat er niet meer konden zijn. Dit had wel op zijn weg gelegen. Opmerking verdient daarbij dat de inspecteur - onvoldoende weersproken – ter zitting heeft toegelicht dat de gemachtigde veel meer dan 25 bezwaren, namelijk 50 tot 100 bezwaren, per week aanhangig maakt en dat dan niet slechts in 25 bezwaren gehoord kan worden omdat dan de voorraad blijft oplopen. De rechtbank is het daarmee eens. Indien een gemachtigde zoveel bezwaren aanhangig maakt en namens belanghebbende ook in elke zaak gehoord wil worden, dan mag van hem worden verwacht dat hij zijn bedrijfsvoering daarop aanpast. 2.10.2. In deze zaak is dus de hoorplicht niet geschonden. Ook het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is niet geschonden aangezien belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden. De rechtbank overweegt ten overvloede dat ook indien het hoorrecht wel geschonden zou zijn én zelfs als daaraan niet zou kunnen worden voorbijgegaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, er geen aanleiding zou zijn voor terugwijzing. Het zou namelijk geboden zijn dat de rechtbank zelf in de zaak voorziet. Daarbij is in aanmerking genomen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.