RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/270462-20 vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2022 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1970 te [Geboorteplaats] wonende te [Adres] raadsman mr. R. van 't Land, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 januari 2022, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte voorwerpen en geldbedragen heeft witgewassen en dat hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt voor een totaal geldbedrag van € 65.434,-. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht op basis van de kasopstelling, de daarin opgenomen posten en de onderbouwing daarvan in het eindproces-verbaal wettig en overtuigend bewezen dat verdachte € 65.434,-, in elk geval enig geldbedrag, heeft witgewassen. Ook acht zij bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen, gezien de langere tenlastegelegde periode en de stelselmatigheid. Verdachte heeft gedurende de tenlastegelegde periode meer contant geld uitgegeven, dan dat hij legaal heeft ontvangen. De herkomst van de contante geldbedragen die hij voorhanden heeft gehad is voor het merendeel niet terug te vinden. De verklaringen die verdachte hierover heeft gegeven hebben evenmin voor opheldering gezorgd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, zodat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hij wijst erop dat de politie geen deugdelijk en volledig onderzoek heeft verricht. Zo worden voor wat betreft de kasopstelling meerdere aannames en schattingen gedaan, die niet leiden tot enig bewijs. Daarbij wordt ook uitgegaan van berekeningen van het Nibud aangaande de kosten voor levensonderhoud, maar daarover ontbreken onderliggende stukken. Bovendien hebben de (voormalige) partners van verdachte bijgedragen aan de kosten voor levensonderhoud, waarmee in de berekeningen geen rekening is gehouden. Tevens is door de raadsman gesteld dat er geen sprake is van een brondelict. De justitiële documentatie van verdachte geeft daartoe geen aanleiding. Tot slot is aangevoerd dat verdachte over de herkomst van contante bedragen onverplicht een verklaring heeft afgelegd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte wordt verweten een geldbedrag van € 65.434,- te hebben witgewassen over een periode van zes jaren. Dit bedrag is blijkens het dossier gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling over de jaren 2013 tot met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.