RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-810002-19 vonnis van de meervoudige kamer van 22 juni 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] raadsman mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge 1Onderzoek van de zaak Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juni 2022. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. J.F.M. Kerkhofs, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift dan het wel meerdere malen opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als ware het echt en onvervalst. 3De voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding De dagvaarding is geldig. 3.2 De bevoegdheid van de rechtbank De rechtbank is bevoegd. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat feit 1 is verjaard. Gelet op artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) bedraagt de verjaringstermijn voor het tenlastegelegde misdrijf zes jaren, bij valsheid te rekenen vanaf de dag waarop gebruik gemaakt is van het voorwerp (artikel 71 sub 2 Sr). In dit geval dus vanaf 10 mei 2008. Nu sinds die datum meer dan zes jaren zijn verstreken alvorens een daad van vervolging vanuit het Openbaar Ministerie heeft plaatsgevonden, is het feit verjaard en dient de officier van justitie voor dit feit niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn strafvervolging. Voor de overige feiten is de officier van justitie wel ontvankelijk 3.4 De schorsing van de vervolging Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht op grond van de stukken in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van de in feit 2 en 3 opgenomen stukken en het opzettelijk gebruik maken van die stukken. Het door de verdediging aangehaalde arrest ten aanzien van het opzet op het strafbare feit is niet van toepassing omdat dit op een andere situatie ziet. Er is op zijn minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet nu verdachte wist wat de bedoeling van de stukken was en toch zijn handtekening daaronder heeft gezet. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van het tenlastegelegde onder 2 en 3. Het klopt weliswaar dat de bedoeling niet was dat verdachte feitelijk op het adres [adres 2] ging wonen en evenmin een relatie had met [medeverdachte] , maar van opzet, ook in voorwaardelijke zin, is geen sprake. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad, bekend onder nummer 2021:801, moet worden geconcludeerd dat er met het enkele zetten van zijn handtekening onder de stukken zonder zich daarin te verdiepen, geen sprake is van een bewuste medewerking van verdachte aan een bepaald verzoek. Uit het dossier blijkt bovendien dat verdachte geen belang had bij de valse stukken en hij evenmin in staat was om vragen te stellen dan wel daar tegenop te komen. Gelet op het ontbreken van een actieve rol van verdachte in het geheel, nu die enkel bestond uit het zetten van een handtekening en het ontbreken van belang bij de feiten, kan niet gesproken worden van een bewuste en nauwe samenwerking. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de stukken die onder feit 2 en 3 zijn opgenomen informatie bevatten die in strijd is met de waarheid. Zo woonden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niet vanaf medio 2009 dan wel januari 2010 als partners samen en voerden zij geen gemeenschappelijke huishouding op het adres [adres 2] te Bergen op Zoom. Evenmin waren zij van plan om samen een nieuwe woonwagen te kopen. Daarmee staat vast dat de stukken onder feit 2 en 3 valselijk zijn opgemaakt. Verder blijkt uit de op pagina 162 weergegeven ID-kaart op naam van verdachte, de daarop aangebrachte handtekening, de bijgeschreven tekst: “Dit is een getrouwe kopie van mijn ID-kaart” en de daarbij geplaatste handtekening die grote overeenkomst vertoont met de handtekening op de ID-kaart en de handtekeningen onder de overige in de tenlastelegging vermelde stukken. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte deze stukken heeft ondertekend. Ten aanzien van het opzet van verdachte op het valselijk opmaken van deze stukken en het oogmerk deze stukken als echt en onvervalst te gebruiken/doen gebruiken alsmede het medeplegen overweegt de rechtbank het volgende. Opzet op het valselijk opmaken Het opzet voor het valselijk opmaken van de geschriften kan bestaan in de vorm van voorwaardelijk opzet. Dat houdt in dat het voor een bewezenverklaring voldoende is als de aanmerkelijke kans op de valsheid bewust is aanvaard. Door de verdediging is gesteld dat hiervan geen sprake is omdat verdachte zich niet bewust is geweest van hetgeen waaraan hij met het zetten van zijn handtekening meewerkte. Voor de beantwoording van de vraag of er bij verdachte sprake is geweest van enige bewustheid van de inhoud van de stukken waaronder hij zijn handtekening zette, acht de rechtbank het in de eerste plaats van belang dat het hier niet om stukken ging die in een andere taal dan de moedertaal van verdachte waren opgesteld, zoals in het door de verdediging aangehaalde arrest. Bovendien dekt de aanduiding van de stukken als “samenlevingsovereenkomst” en “verzoek tot medehuurderschap” in de stukken zelf de lading van de inhoud daarvan en kan op voorhand niet worden gesteld dat niet duidelijk was waar het om ging. Van een situatie als in het door het door de verdediging aangehaalde arrest is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Daarbij komt dat de samenlevingsovereenkomst zeven pagina’s telt die allen zijn voorzien van een paraaf “ [verdachte] ” of een handtekening van verdachte. Uit die samenlevingsovereen-komst blijkt ook dat verdachte en de medeverdachte zich hebben gelegitimeerd met hun identiteitskaart. Daarvan is een kopie bijgevoegd waarop met de hand door verdachte is geschreven: “dit is een getrouwe kopie van mijn ID-kaart” met daarbij een handtekening. Uit het zevenmaal ondertekenen dan wel van parafen voorzien van de samenlevingsovereen-komst en de bijgevoegde kopie van de ID-kaart met handgeschreven toevoeging en ondertekening leidt de rechtbank af dat er bij verdachte een moment van bewustheid moet zijn geweest van wat hij aan het ondertekenen was. Deze samenlevingsovereenkomst is vervolgens in 2013 gebruikt voor de aanvraag van het medehuurderschap van [medeverdachte] voor standplaats [adres 2] te Bergen op Zoom. Deze aanvraag beslaat slechts uit 1 pagina die ook weer door verdachte van een handtekening is voorzien. Het voorgaande in het licht bezien dat verdachte ten tijde van de ondertekening van de stukken meerderjarig was en daarmee verantwoordelijk was voor datgene waaronder hij zijn handtekening zette en uitleg van zijn zijde is uitgebleven, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er bij verdachte tenminste sprake was van voorwaardelijk opzet. Oogmerk op het gebruiken/doen gebruiken Voor bewezenverklaring van het oogmerk is beslissend of verdachte de bedoeling had het desbetreffende geschrift als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Gelet op het feit dat uit de stukken zelf voldoende blijkt waarop deze zagen en verdachte aan het eind van de rit niet langer de huurder van de standplaats aan de [adres 2] te Bergen op Zoom zou zijn maar medeverdachte [medeverdachte] , is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst genomen het zekerheids- of noodzakelijkheidbewustzijn moet hebben gehad om deze vervalste stukken te gebruiken/doen gebruiken. Een andere gang van zaken is niet uit het dossier gebleken en een verklaring van de zijde van verdachte is uitgebleven. Medeplegen Om tot een bewezenverklaring te komen van medeplegen moet er sprake zijn van een bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte(n). De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is. Medeverdachte [medeverdachte] wilde huurder worden van de standplaats waarvan verdachte huurder was. Zonder de medewerking van verdachte door het ondertekenen van de stukken kon dit niet worden bereikt. Met het zetten van zijn handtekening onder de stukken, die bovendien mede over hem gingen, is hij daarom een essentiële schakel geweest in de verkrijging van het huurderschap van [medeverdachte] van de standplaats aan [adres 2] te Bergen op Zoom. De rol van verdachte was daarmee van zodanige aard dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken. Dat verdachte geen direct persoonlijk belang zou hebben gehad bij de feiten is niet gebleken en zou bovendien hieraan niet af doen. Conclusie Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde voor het deel van het opmaken van de valse stukken wettig en overtuigend bewezen. Niet is gebleken dat verdachte deze stukken zelf ook heeft gebruikt waardoor de rechtbank deze onderdelen niet bewezen acht. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 2. op 26 februari 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een brief (gericht aan de Gemeente Bergen op Zoom inzake "een verzoek tot medehuurderschap [adres 2] ) (blz. 0151) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.