RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/3245 OPIUMW VV uitspraak van 8 juli 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster), te [woonplaats] , verzoekers, gemachtigde: mr. D. Marcus, en de burgemeester van de gemeente Waalwijk, verweerder. Procesverloop Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 juni 2022 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van de woning aan [adres] , voor de duur van een maand met ingang van 5 juli 2022. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft toegezegd de uitspraak van de voorzieningenrechter af te wachten voordat tot sluiting wordt overgegaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 juli 2022. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en een tolk Pools. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] . Overwegingen 1. Feiten en omstandigheden Verzoekers zijn eigenaar van de woning en schuur aan [adres] . Op 4 mei 2022 heeft er een doorzoeking van de woning en schuur plaatsgevonden. De politie heeft 68,21 gram bakpoeder, een vuurwapen, een patroonhouder, zestien kogelpatronen, pepperspray, 3,88 gram cocaïne en 74,06 gram Citric aangetroffen. Bij brief van 31 mei 2022 heeft de burgemeester aan verzoekers medegedeeld voornemens te zijn de woning en bijgebouw met bijbehorend erf aan [adres] te sluiten voor een periode van zes maanden. Verzoekster heeft een zienswijze ingediend. Met het bestreden besluit heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelast de woning aan [adres] met ingang van 5 juli 2022 te sluiten en gedurende een maand gesloten te houden, op straffe van toepassing van bestuursdwang. 2. Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat de noodzaak tot sluiting ontbreekt. In het besluit van de burgemeester wordt niet gespecificeerd waar de goederen zijn aangetroffen, waardoor niet kan worden geoordeeld of toezicht redelijkerwijs uitgeoefend kon worden. Ook blijkt niet uit het besluit waar of waarin de goederen zijn aangetroffen. De goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn gebruikt in het kader van drugshandel zijn bijna twee maanden geleden ontdekt en verzoeker verblijft sindsdien in voorarrest. Voor de omwonenden is al duidelijk dat er wordt opgetreden. Verzoekers benadrukken niets met de aangetroffen drugs te maken te hebben. De sluitingsmaatregel is buitenproportioneel gezien de medische situatie van verzoekster en haar dochter. Als gevolg van de sluiting raken verzoekster en haar dochter dakloos en verzoeker ook wanneer hij in vrijheid wordt gesteld. Er is sprake van problemen op meerdere gebieden: medisch, financieel en strafrechtelijk. In ogenschouw moet worden genomen dat in ieder geval verzoekster geen verwijt kan worden gemaakt van de vermeende overtreding. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen dan wel de begunstigingstermijn te verlengen. 3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. 4. Wettelijk kader Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 5. Bevoegdheid van de burgemeester 5.1 De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. 5.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in de woning 3,88 gram cocaïne is aangetroffen. Cocaïne is een middel als bedoeld in lijst I. De burgemeester mocht er gelet op die hoeveelheden vanuit gaan dat de aangetroffen drugs bestemd was voor drugshandel. Dat verzoekster ontkent iets met de aangetroffen drugs te maken te hebben, maakt die conclusie niet anders. Voor het opleggen van de last hoeft de burgemeester niet aan te tonen dat verzoekster een persoonlijk verwijt valt te maken. De bestuursrechtelijke bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting van de woning staat ook los van een eventuele strafrechtelijke procedure. 6. Toepassing van de bevoegdheid 6.1 Artikel 13b van de Opiumwet voorziet niet in een verplichting om een last onder bestuursdwang op te leggen in een situatie, zoals beschreven in het artikel, maar in de mogelijkheid daartoe. Het is een discretionaire bevoegdheid en de burgemeester dient een belangenafweging te maken, om te beslissen of hij van de bevoegdheid gebruik maakt en op welke wijze hij van de bevoegdheid gebruik maakt. Ter uitvoering van die bevoegdheid, heeft de burgemeester de Beleidsregels voor de toepassing van een last onder bestuursdwang en/of bestuurlijke waarschuwing ingevolge artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid 2019) (hierna: beleidsregels) vastgesteld. 6.2 De burgemeester heeft de woning in overeenstemming met dit beleid gesloten voor de duur van zes maanden. In de door verzoekster in de zienswijze geschetste omstandigheden heeft de burgemeester aanleiding gezien de periode van sluiting te verkorten naar een maand. 6.3 Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De burgemeester dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde recht kan vormen – dient een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is. 6.4 Gebleken is dat de burgemeester de toepassing van zijn sluitingsbevoegdheid niet alleen heeft gemotiveerd met een verwijzing naar zijn beleid, maar ook met een belangenafweging op grond van de omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter zal beoordelen of de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hier sprake is van een “ernstig geval” op basis waarvan tot sluiting van de woning is besloten. De voorzieningenrechter neemt daarbij de nieuwe maatstaf voor (de intensiteit van) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, zoals weergegeven in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en het meer specifieke toetsingskader - zoals weergegeven in de overzichtsuitspraak van de Afdeling - in acht. Verzoekers hebben ook een beroep gedaan op deze uitspraken. De voorzieningenrechter zal bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel een onderscheid maken tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, zoals neergelegd in voormelde uitspraken van de Afdeling. Geschiktheid 6.5 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de sluiting van een woning een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het (verder) voorkomen van de aanwezigheid van drugs in de woning en de overlast die dat met zich brengt. Noodzaak van de sluiting 6.6 In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. In verband met de ernst en omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol speelt binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstellende karakter van de maatregel minder groot kan maken. Feitelijke handel in of vanuit de woning kan worden aangenomen op grond van het in de woning aantreffen van attributen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen, een grote hoeveelheid contant geld en wapens. 6.7 Vanwege de aangetroffen hoeveelheid van 3,88 gram cocaïne heeft de burgemeester besloten tot sluiting van de woning over te gaan. De burgemeester heeft in het bestreden besluit aangegeven dat ook versnijdingsmiddelen en een wapen zijn aangetroffen. Het aantreffen van deze voorwerpen duidt op drugshandel. De politie heeft verklaard dat er daadwerkelijk handel plaats vond vanaf het adres [adres] . Ook is het perceel gelegen in een omgeving die gevoelig is voor drugscriminaliteit. Volgens de burgemeester is er sprake van een ernstig geval en bestaat de noodzaak om de woning en schuur te sluiten ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Door de sluiting wordt de drugshandel tegengegaan, wordt de bekendheid van het pand in het criminele circuit en/of drugscircuit definitief doorbroken. Verder wordt de loop van handelaren en/of gebruikers naar het pand doorbroken evenals de verstoring van de openbare orde die met de aan- en afvoer van drugs gepaard gaat. Daarnaast wil de burgemeester ook een signaal afgeven aan de buurtbewoners dat wordt opgetreden tegen drugscriminaliteit, vooral ook omdat de woning met twee andere woningen in dezelfde straat een schakel vormt in de drugshandel. Tevens is voor de burgemeester van belang dat wordt verhinderd dat het pand (weer) wordt gebruikt ten behoeve van het drugscircuit en de drugshandel en om drugsgerelateerde overlast rondom het betreffende pand te voorkomen. Daarnaast wordt door de sluiting eveneens een locatie weggenomen waar criminele activiteiten plaatsvinden. 6.8 Gelet op wat in 6.7 is overwogen, heeft de burgemeester niet kunnen en moeten volstaan met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning. Dat, zoals verzoekers hebben aangevoerd, nog geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling van verzoeker, acht de voorzieningenrechter in dit verband niet relevant, nu de maatregel van sluiting gericht is op de woning en niet op verzoeker(s). Evenmin hecht de voorzieningenrechter waarde aan de omstandigheid dat de woning aan [adres 2] -ondanks dat in die woning eveneens drugs is aangetroffen- door de burgemeester niet wordt gesloten. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat in die woning een hoeveelheid softdrugs is gevonden. Verder woont in die woning een gezin met zeer jonge kinderen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het gelet op deze toelichting hier niet om gelijke gevallen. Evenwichtigheid van de maatregel 6.9 In de overzichtsuitspraak is overwogen dat bij de beoordeling of de sluiting voldoende is afgestemd op de concrete situatie, verschillende omstandigheden van belang zijn zoals de mate van verwijtbaarheid. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat burgemeester niet van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik mag maken. Een (hoofd)bewoner kan bijvoorbeeld geen verwijt van de overtreding worden gemaakt als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning. Wel wordt van de (hoofd)bewoner verlangd dat hij toezicht uitoefent op wat er in de woning gebeurt. Daarbij past de kanttekening dat er wel grenzen zijn aan het toezicht dat redelijkerwijs mag worden verwacht van de ene bewoner op de andere, mede afhankelijk van de woonsituatie. De burgemeester zal, indien hij van zijn bevoegdheid tot sluiting van een woning gebruik maakt, deugdelijk moeten motiveren welk verwijt de (hoofd)bewoner die door de sluiting wordt getroffen, wordt gemaakt. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van de burgemeester dat verzoekster redelijkerwijs op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de aanwezigheid van drugs en een wapen in haar woning en schuur. Ter zitting is verklaard dat zowel verzoeker als verzoekster toegang hadden tot de schuur waar de cocaïne is gevonden en verzoekers werkkamer waar het wapen is aangetroffen. 6.10 In de overzichtsuitspraak is verder overwogen dat bij de beoordeling van een besluit tot sluiting van een woning op grond van de Opiumwet ook de gevolgen daarvan moeten worden betrokken. Het is inherent aan een sluiting dat de bewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.