RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 20/6793 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2022 op het verzet van [belanghebbende] , te [plaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]). 1Procesverloop 1.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst van 24 april 2020 beroep ingesteld. 1.2. Bij uitspraak van 25 november 2020 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. 1.4. De rechtbank heeft het verzet op 1 juli 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 2Overwegingen 2.1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht voor zover het beroep is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om verwijdering van een mededeling verzuim en het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar. 2.2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de rechtbank onbevoegd is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. 2.3. Belanghebbende voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat ook als specifieke beperkte wetgeving geldt ten aanzien van rechtsmiddelen dat nog niet wil zeggen dat de rechtsbescherming van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) daardoor eveneens is uitgesloten ten aanzien van niet in de specifieke wetgeving genoemde besluiten. Volgens belanghebbende is niet bepaald dat een waarschuwing als de onderhavige géén besluit is, en pas als dat wél het geval zou zijn, is de rechtbank niet bevoegd. Belanghebbende verwijst naar jurisprudentie waarin is bepaald dat een waarschuwing een besluit is waartegen opgekomen kan worden. Verder heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat de rechtsbescherming van de Awb boven de specifieke regeling van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gaat. Ter onderbouwing daarvan draagt belanghebbende aan dat de mogelijkheid tot ingebreke stellen niet in de fiscale wetgeving staat, maar dat de Belastingdienst wel ingebreke gesteld kan worden en dat daarom de Awb boven de AWR staat. Nu voor een mededeling verzuim niets is bepaald in de AWR, net als voor de ingebrekestelling, geldt de Awb, aldus belanghebbende. 2.4. In wat belanghebbende heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de buiten-zittinguitspraak van 25 november 2020 is gedaan. Anders dan belanghebbende stelt gaat de Awb niet boven de AWR. Uit de tekst van artikel 26, eerste lid van de AWR volgt tegen welke besluiten beroep kan worden ingesteld. In dat artikel is bepaald dat in afwijking van artikel 8:1 van de Awb tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit (slechts) beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter indien het betreft (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.