← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:3951

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/1512 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , Belanghebbende, en De inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Inleiding 1.

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 maart
  2. 1.
  3. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. 1.
  4. Het bezwaar van belanghebbende tegen die aanslag heeft de inspecteur ongegrond verklaard. 1.
  5. Vervolgens heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend en aanvullende stukken toegezonden. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  6. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende was niet aanwezig (zie 3.1). 2Feiten 2.
  7. Belanghebbende staat voor de periode [periode] 2017 in de basisregistratiepersonen (brp) ingeschreven op een adres in Nederland. 2.
  8. Door middel van een aan hem uitgereikt aangiftebiljet voor buitenlands belastingplichtigen heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 gedaan. 2.
  9. De inspecteur heeft overeenkomstig de ingediende aangifte de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 opgelegd. 2.4 In bezwaar is de aanslag gehandhaafd. 3Beoordeling door de rechtbank Zitting 3.
  10. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 26 april 2022 aan het door hem opgegeven adres, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Omdat de genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL blijkt dat de brief op 28 april 2022 aan hem is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende op juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De aanslag IB/PVV 3.
  11. De rechtbank heeft beoordeeld of de inspecteur de aanslag IB/PVV tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. De aanslag is opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte en daarbij is uitgegaan van de in die aangifte vermelde perioden van belasting- en premieplicht. Voor wat betreft de belastingplicht komt die periode globaal overeen met de periode van inschrijving in Nederland. Voor wat betreft de premieplicht lijkt de aanslag zelfs te laag, omdat is uitgegaan van een kortere periode dan de periode waarin belanghebbende was ingeschreven in Nederland. 3.3 Aangezien uit de door belanghebbende ingebrachte stukken overigens niet concreet naar voren komt wat zijn bezwaren zijn tegen de opgelegde aanslag, is er geen reden voor vermindering van die aanslag. Datzelfde geldt voor de over 2017 opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor zover het beroep daar betrekking op heeft, omdat ook die aanslag conform de aangifte is opgelegd. 4Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 en de aanslag Zvw, voor zover het beroep daar betrekking op heeft, niet worden verminderd. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug, en ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten. 5Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier, op 19 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
  12. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.