RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-222166-19 vonnis van de meervoudige kamer van 20 juli 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 5 en 6 juli 2022, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte betrokken is bij een woningoverval op 12 mei 2019 in Grijpskerke, waarbij drie mannen de woning binnen zijn gegaan, de bewoonster een knuppel of stok hebben getoond, en een groot geldbedrag is gestolen. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit samen met anderen heeft begaan. Zij heeft als bewijsmiddelen met name gewezen op de aangifte, de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , de antennemastgegevens, het DNA op de sporttas en het bestedingspatroon van verdachte na de overval. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. De door de officier van justitie genoemde bewijsmiddelen bevatten niet het wettig en overtuigend bewijs om tot een veroordeling te komen. Uit de aangifte kan betrokkenheid van verdachte bij het feit niet worden afgeleid. Getuige [getuige 1] zegt in essentie niets belastends over verdachte uit eigen wetenschap of waarneming. Getuige [getuige 2] is onbetrouwbaar en zijn verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris dienen daarom te worden uitgesloten van het bewijs. Ten aanzien van de antennemastgegevens is primair een verweer gevoerd dat strekt tot uitsluiting van het bewijs in verband met het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Prokuratuur vs. Estland. Subsidiair is aangevoerd dat de antennemastgegevens in verband met het tenlastegelegde feit niet redengevend zijn. Omdat sprake is van evidente onduidelijkheden in het beslagproces van de tassen die zijn aangetroffen op de oprit van de woning van aangeefster, dienen de onderzoeksresultaten van het NFI uitgesloten te worden van het bewijs. Subsidiair is ten aanzien van die resultaten aangevoerd dat het mogelijk is dat verdachte de sporttas waarop zijn DNA is aangetroffen, en die niet van hem is, weleens heeft vastgepakt toen hij met anderen aan het sporten was. Niet duidelijk is hoe en op welk moment het DNA van verdachte op de tas terecht is gekomen, zodat niet kan worden vastgesteld dat deze sporen delictgerelateerd zijn. Ten slotte blijkt uit het dossier dat verdachte geld verdient door de aan- en verkoop van auto’s en motoren. Dat is een contante inkomstenbron waarmee de vakantie naar Kos deels is betaald. De conclusie dat het niet anders kan dan dat die vakantie met geld van de diefstal in Grijpskerke is betaald, kan daarom niet worden getrokken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Aanleiding Op 12 mei 2019 komt omstreeks 03:15 uur bij de politie een melding binnen van een inbraak in een woning aan [adres 2] , waarbij geld zou zijn weggenomen. Als de politie ter plaatse komt, verklaart aangeefster dat zij die avond en nacht samen met iemand anders de contante opbrengst van het [festival] heeft geteld. Dit geld was door haar schoondochter gedurende de avond naar haar woning gebracht. Aangeefster was omstreeks 02:45 uur gaan slapen. Om 03:15 uur schrok zij plotseling wakker van een harde knal. Toen zij ging kijken op de overloop zag ze drie in het zwart geklede mannen met gezichtsbedekking, van wie de voorste haar vroeg waar het geld lag. Aangeefster wees de plaats aan en sloot zich vervolgens op in de slaapkamer waar haar kleindochter van drie jaar oud op dat moment logeerde. Toen ze hoorde dat de mannen weg waren, liep ze uit de slaapkamer en zag beneden dat het glas van het bovenste raam van de voordeur kapot was en dat er een grote grindtegel op de grond in de hal lag. Als de politie kort hierna ter plaatse komt, worden drie tassen op de oprit van de woning aangetroffen. 4.3.2 Waardering van de bewijsmiddelen De rechtbank zal de zich in het dossier bevindende en voor verdachte belastende bewijsmiddelen beoordelen. Deze bewijsmiddelen maken onderdeel uit van de bewijsconstructie van het openbaar ministerie en hierop is door de verdediging verweer gevoerd. - De aangifte Aangeefster heeft verklaard dat de drie personen die in haar woning waren in het zwart gekleed waren en dat hun hoofden bedekt waren met een bivakmuts of een doek. Verder droegen de mannen handschoenen. De personen hadden een slank postuur. Zij vermoedde dat het jonge mannen waren vanwege hun behendigheid. De mannen waren niet lang, in ieder geval kleiner dan 1,85 meter. De man die sprak was het kleinst, de middelste man was iets groter dan de man die sprak, en de achterste man was het grootst. De rechtbank overweegt dat de signalementen die zijn gegeven van de mannen in de woning weinig onderscheidend zijn, zodat niet is vast te stellen of verdachte in één van die signalementen past. De aangifte op zichzelf vormt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet een specifiek voor verdachte belastend bewijsmiddel. - De resultaten van het DNA-onderzoek aan de sporttas Over de chain of custody van de inbeslaggenomen tassen overweegt de rechtbank als volgt. De tassen zijn door één van de verbalisanten – die als eerste ter plaatse waren – veiliggesteld en verpakt in papieren zakken. De vindplaats van de tassen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende beschreven. Het was zorgvuldiger geweest als in het dossier een foto was opgenomen waarop de tassen op het perceel te zien zouden zijn geweest, maar het ontbreken van zo’n foto vormt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen omstandigheid die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de chain of custody. Het dossier bevat over het aantreffen en in beslagnemen van de tassen op 12 mei 2019 verschillende tijdstippen. In het proces-verbaal relaas in het derde aanvullend dossier (pagina 390 en 391) is hierover opgenomen dat het genoemde tijdstip van aantreffen en inbeslagneming van 07:15 uur onjuist is. De verbalisant die de tassen heeft veiliggesteld en in papieren zakken heeft verpakt heeft gerelateerd dat de tassen door hem om 03:30 uur zijn veiliggesteld. In een nader proces-verbaal van bevindingen van 30 april 2021 heeft deze verbalisant gerelateerd dat hij de papieren zakken – naar de rechtbank begrijpt met daarin de op de oprit aangetroffen tassen – na zijn dienst heeft achtergelaten op het politiebureau te Middelburg. Verder is in een proces-verbaal van bevindingen ‘omtrent aantreffen, beheer en overdracht tassen’ van 12 juli 2021 beschreven dat de drie tassen op 12 mei 2019 van dat politiebureau naar een ander politiebureau in Middelburg zijn gebracht, waar zij van 12 mei 2019 tot en met 14 mei 2019 werden bewaard in het beslaghok aldaar. De tassen werden op 14 mei 2019 overgedragen aan de afdeling forensische opsporing van de districtsrecherche Zeeland. Het is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk waar de tassen na de inbeslagname waren voordat ze werden overgedragen aan de afdeling forensische opsporing. De chain of custody is gelet op deze omschrijving sluitend. Dat niet bekend is wie de tassen in het beslaghok heeft gelegd en wie de tassen vervolgens heeft overgedragen aan de afdeling forensische opsporing doet daar niet aan af. In ieder geval ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er een mogelijkheid was dat de op de tassen aangetroffen en onderzochte DNA-sporen daar terecht zijn gekomen na de inbeslagname. Nu de rechtbank geen onregelmatigheden in de chain of custody ziet, ziet zij evenmin aanleiding om te twijfelen aan de integriteit van het door het NFI uitgevoerde onderzoek aan de tassen, zodat dit onderzoek kan worden gebruikt voor het bewijs. Uit DNA-onderzoek door het NFI is het volgende gebleken. - Er werd DNA gevonden van minimaal vijf personen op de draaghengsels van de blauwe sporttas. Drie van deze vijf personen zijn donor van een relatief groot deel van het celmateriaal. Verdachte is mogelijk één van die drie personen. Het verkregen DNA-mengprofiel is – kort gezegd – meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer verdachte de donor is, dan wanneer dit een willekeurige niet-verwante onbekende persoon is. De andere twee van die drie personen zijn niet onderling of aan verdachte verwant. Uit onderzoek aan het DNA-mengprofiel is verder gebleken dat de inmiddels veroordeelde medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geen donor kunnen zijn van die relatief grote hoeveelheid DNA in de bemonstering. - Verder werd er DNA gevonden van minimaal vier personen op de schouderband van de blauwe sporttas. Twee van deze vier personen zijn donor van een relatief groot deel van het celmateriaal. Verdachte is mogelijk één van die twee personen. Het verkregen DNA-mengprofiel is – kort gezegd – meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer verdachte de donor is, dan wanneer dit een willekeurige niet verwante onbekende persoon is. Er is geen aanwijzing verkregen dat DNA van de (destijds) medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in de bemonstering aanwezig is. Verdachte is door de politie niet geconfronteerd met de bevindingen van het NFI, althans niet méér specifiek dan dat zijn DNA op de plaats delict is aangetroffen. Op vragen hierover heeft verdachte geantwoord dat hij daar niet is geweest. Verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de enige verklaring die hij kan bedenken voor de aanwezigheid van zijn DNA op de sporttas is dat hij die tas tijdens het sporten een keer heeft vast gehad. Tijdens het buitensporten doet hij soms met een groep andere sporters oefeningen op toestellen, waarbij de groep van het ene toestel naar het andere loopt. Daarbij draagt hij soms de sporttassen van andere sporters van de ene oefening naar de andere oefening, aldus verdachte. De rechtbank overweegt dat niet is vast te stellen wanneer, waar en hoe het DNA van verdachte op de blauwe sporttas, die op de oprit van de overvallen woning is aangetroffen, is gekomen. Daarbij komt dat een sporttas een gemakkelijk verplaatsbaar object is. Gelet daarop en op de omstandigheid dat naast verdachte nog (in elk geval) twee andere personen donor zijn van een relatief grote hoeveelheid DNA op de sporttas en dat die andere personen niet de reeds veroordeelde medeverdachten zijn, kan niet worden uitgesloten dat de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, klopt. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de veroordeelde medeverdachten familie, vrienden of kennissen van verdachte zijn, zodat de aanwezigheid van de sporttas met daarop het DNA van verdachte op de oprit van de overvallen woning ook op andere wijze verklaard kan worden. De rechtbank concludeert gelet op het vorenstaande dat het aantreffen van het DNA van verdachte op de sporttas die op de oprit van de overvallen woning in Grijpskerke is aangetroffen niet zonder meer redengevend is voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval op die woning. - De verkeers- en locatiegegevens van het telefoonnummer van verdachte Uit onderzoek naar de verkeers- en locatiegegevens van verdachte en (veroordeelde) medeverdachten in dit onderzoek is naar voren gekomen dat het op naam van verdachte gestelde telefoonnummer eindigend op de cijfers [nummer 1] op 11 en 12 mei 2019 de volgende telefonische contacten had: 11 mei 2019 - om 18:02 uur wordt door [naam 1] , de broer van verdachte, gebeld naar [nummer 1] . [naam 1] belt hem met de telefoonnummers eindigend op de cijfers [nummer 2] (telefoonnummer op zijn naam gesteld) en de cijfers [nummer 3] (prepaidnummer). 12 mei 2019 - om 11:40 uur is er telefonisch contact met het telefoonnummer met de eindcijfers [nummer 4] , in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 6] . Daarbij straalde het telefoonnummer van verdachte een antennemast in Arnemuiden aan. - om 11:50 uur vond met het telefoonnummer van verdachte dataverkeer plaats, waarbij werd aangestraald op een antennemast in Grijpskerke. De officier van justitie heeft in verband met deze gegevens belastend geacht dat het telefoonnummer van getuige [getuige 1] om 11:54 uur aanstraalde op een antennemast in Oostkapelle, wat volgens haar het vermoeden wekt dat [getuige 1] met verdachte naar Grijpskerke/Oostkapelle is gereden. De rechtbank overweegt dat verdachte op de twee genoemde dagen met zijn (inmiddels veroordeelde) broer [naam 1] en met zijn goede vriend en medeverdachte [medeverdachte 6] contact heeft gehad met de op hun namen gestelde telefoonnummers. Eén keer is hij door zijn broer gebeld met een prepaidnummer dat volgens de officier van justitie toebehoort aan één van de ‘overvalstelefoons’. Het dossier bevat geen verkeers- en locatiegegevens van vóór of na die twee dagen. Gelet op de relatie van verdachte tot [naam 1] en [medeverdachte 6] acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat zij vaker telefonisch contact hebben. Daarbij komt dat de tijdstippen van de contacten op 11 en 12 mei 2019 niet zonder meer duiden op betrokkenheid bij de overval op de woning. De rechtbank acht deze verkeers- en locatiegegevens dan ook niet redengevend in het licht van de gepleegde overval. Uit de omstandigheid dat de telefoon van getuige [getuige 1] om 11:54 uur aanstraalt op een antennemast in Oostkapelle en die van verdachte om 11:50 uur op een antennemast in Grijpskerke kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan slechts een vermoeden worden afgeleid dat [getuige 1] met verdachte naar Grijpskerke of Oostkapelle is gereden. Los van de vraag wat de betekenis van deze omstandigheid in relatie tot het misdrijf zou moeten zijn, bevat het dossier geen aanknopingspunten die dit vermoeden bevestigen. Deze gegevens acht de rechtbank daarom evenmin redengevend. Gelet op het vorenstaande kunnen de locatie- en verkeersgegevens van het telefoonnummer [nummer 1] niet voor het bewijs worden gebezigd. Om die reden behoeft het verweer gebaseerd op het Prokuratuur-arrest van het EHRM geen nadere bespreking. - Betaling vakantie Kos Van 25 juli 2019 tot en met 1 augustus 2019 is verdachte met zijn gezin, zijn moeder [naam 2] , zijn zus [naam 3] en zijn broer [naam 4] op vakantie geweest naar Kos. Deze vakantie kostte € 7.801,93, welk bedrag op 21 juni 2019 door [naam 2] contant is betaald, in aanwezigheid van de partner van verdachte, te weten [naam 5] . Verdachte en zijn partner hebben allebei verklaard dat zij hun aandeel in het totaalbedrag van de vakantie hebben betaald. De rechtbank gaat ervan uit dat hun aandeel een bedrag van € 3.127,- betreft, gelet op de berekening van dit bedrag op een foto op de telefoon van [naam 5] op pagina
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.