RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/978 AOW proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 14 juli 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser, gemachtigde: mr. M.M.M. Minkels, en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 januari 2021 (bestreden besluit) van de Svb inzake zijn recht op een uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 14 juli
- Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de Svb is mr. A. Marijnissen verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan. Overwegingen
- Op basis van de gedingstukken stelt de rechtbank vast dat eiser en zijn partner sinds 26 oktober 2020 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en dat uit hun relatie drie kinderen zijn geboren. Dit betekent dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Dit betekent dat niet hoeft te worden onderzocht of voldaan is aan het zorgcriterium. Voor zover gesteld wordt dat niet wordt voldaan aan het zorgcriterium, behoeft dit dan ook geen verdere bespreking. Nu sprake is van een gezamenlijke huishouding, heeft de Svb terecht eisers AOW-pensioen herzien naar de norm van een gehuwde. De ingangsdatum van de herziening is de eerste van de maand volgend op die waarin de wijziging van de leefsituatie (26 oktober 2020) heeft plaatsgevonden. Dat is in dit geval per 1 november 2020, zoals de Svb juist heeft toegepast. Dat, zoals door eiser is aangevoerd, zijn partner niet in staat is om inkomsten te genereren onder meer vanwege de zorg voor hun verstandelijk beperkte dochter, kan niet tot een ander oordeel leiden. Tot slot geldt dat door eiser een beroep is gedaan op het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel, maar van strijd met die beginselen is de rechtbank niet gebleken.
- Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 14 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.