← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:3967

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/1457 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2022 in de zaak tussen [belanghebbende ] , uit [woonplaats] , belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. 1Inleiding 1.

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 maart
  2. 1.
  3. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.
  4. 1.
  5. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.
  6. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  7. Op verzoek van de rechtbank heeft de inspecteur informatie opgevraagd bij de gemeente [gemeente] en heeft de inspecteur deze informatie verstrekt aan de rechtbank. Belanghebbende heeft van deze correspondentie een kopie gekregen. 1.
  8. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende was niet aanwezig. 2Feiten 2.
  9. Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 een aangifte IB/PVV ingediend naar een inkomen uit werk en woning van € 7.404, bestaande uit loon uit vroegere dienstbetrekking (een bijstandsuitkering). 2.
  10. In afwijking van de ingediende aangifte heeft de inspecteur met dagtekening 3 december 2020 een definitieve aanslag IB/PVV 2018 aan belanghebbende opgelegd naar een inkomen uit werk en woning van € 14.186, bestaande uit: Soort Inhoudingsplichtige Bruto Loonheffing Loon uit vroegere dienstbetrekking Gemeente [gemeente] € 7.404 € 1.952 Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking [BV] € 6.782 € 667 Totaal € 14.186 € 2.619 2.
  11. Belanghebbendes bezwaar tegen de definitieve aanslag is bij uitspraak op bezwaar van 12 maart 2021 ongegrond verklaard. 2.
  12. In de door de inspecteur overgelegde informatie van Gemeente [gemeente] heeft de gemeente de volgende inkomensopgave van belanghebbende en zijn echtgenote doorgegeven: “Naar de jaaropgave 2018 van dhr clnr [nummer] = € 7.404 Van de partner clnr [nummer] € 5.453 Van de inkomsten uit [BV] € 6.782 Totaal aan bruto inkomen € 19.639 Volgens de nieuwsbrief Rijksoverheid is het geschatte Belastbaar inkomen voor gehuwden is 9.833 p/pers = voor samen € 19.666 Wij kunnen dus enkel een verschil vinden van € 27,- bruto” 3Beoordeling door de rechtbank 3.
  13. De rechtbank beoordeelt of het door de inspecteur vastgestelde inkomen uit werk en woning te hoog is. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3.
  14. De rechtbank is van oordeel dat het inkomen uit werk en woning niet te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.
  15. Belanghebbende stelt dat het inkomen te hoog is vastgesteld, omdat het inkomen van [BV] niet aan hem betaald is, maar direct aan Gemeente [gemeente] en dat dit inkomen van zijn uitkering van Gemeente [gemeente] is afgetrokken. 3.
  16. Uit de informatie van de gemeente volgt dat belanghebbende zowel het inkomen van de gemeente van € 7.404 als het inkomen van [BV] van € 6.782 – na inhouding van een bedrag van € 2.619 aan loonheffing - ontvangen heeft. Het is heel goed mogelijk dat, zoals belanghebbende stelt, het inkomen van [BV] is verrekend met de bijstandsuitkering. Aannemelijk is echter dat belanghebbende dat bedrag wel, maar dan in de vorm van bijstand, via de gemeente heeft ontvangen. Daar komt bij dat het totaal van deze inkomsten plus het bedrag dat de echtgenote aan bijstand heeft ontvangen, nagenoeg gelijk is aan het bijstandsinkomen waar zij volgens de gemeente recht op hadden. Dit alles leidt tot de conclusie dat er voldoende bewijs is voor de juistheid van de aanslag. 4Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 5Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 20 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
  17. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.