← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:4007

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT GN 26/6 ASB 28/6 Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/029056-22 vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] ,zonder vaste woon- en verblijfplaats. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juni

  1. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 29 juli 2021 een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, terwijl verdachte onder invloed van amfetamine was, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt en dat hij op 29 juli 2021 onder invloed van amfetamine een motorvoertuig heeft bestuurd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Voor feit 1 heeft de officier van justitie gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen van het primair aan verdachte tenlastegelegde feit. Hij heeft verzocht om het gedrag van verdachte als roekeloos te kwalificeren als bedoeld in artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en het toetsingskader dat – sinds 1 januari 2020 – in artikel 5a van de WVW is neergelegd. Tevens is gebleken dat bij het slachtoffer sprake is van zwaar lichamelijk letsel nu zij meerdere keren is geopereerd en het herstel nog geruime tijd in beslag lijkt te nemen. 4.2 Het oordeel van de rechtbank 4.2.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.2.
  2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 29 juli 2021 op de Postweg te Tholen een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte is met zijn auto op de andere weghelft terecht gekomen. Hij is hierdoor in aanrijding met de auto bestuurd door [slachtoffer] gekomen waardoor zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte verkeerde ten tijde van het ongeval onder invloed van amfetamine, te weten vijf keer de toegestane waarde. De rechtbank overweegt over de mate van schuld het volgende. Roekeloosheid Om tot het oordeel te komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 van de WVW in verbinding met artikel 175, tweede lid, van de WVW dienen zodanige feiten en omstandigheden te kunnen worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van verdachte welbewust een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen voor andere weggebruikers. Of sprake is van roekeloosheid zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Met het oog op het strafverzwarende effect van dit bestanddeel worden aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, als zwaarste vorm van culpa, hoge eisen gesteld. Voorbeelden van zaken waarin roekeloosheid is aangenomen zijn snelheidswedstrijden, straatraces of een kat- en muisspel. De hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte – op de andere weghelft terecht komen en het onder invloed zijn van amfetamine – zijn, naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend voor het oordeel dat verdachte roekeloos heeft gereden. Reeds hierdoor ziet de rechtbank geen reden om het handelen van verdachte te toetsen aan artikel 5a van de WVW, zoals door de officier van justitie is verzocht. Aldus zal de rechtbank verdachte van de tenlastegelegde roekeloosheid vrijspreken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde feiten. Voor de mate van schuld is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. 4.3 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Feit 1 primair op 29 juli 2021 te Tholen, alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmederijdende over de weg (de Postweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijnschuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, na het gebruik vanamfetamine is gaan rijden en niet het door verdachte bestuurde motorrijtuig op devoor verdachte bestemde weghelft/rijbaan te houden, en niet met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig uit tewijken, althans geen maatregelen te treffen teneinde eenaanrijding te voorkomen met een op de weghelft/rijbaan bestemd voor hettegemoetkomende verkeer rijdend motorrijtuig (personenauto),(mede) ten gevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurdemotorrijtuig in aanrijding is gekomen met een op de weghelft/rijbaanbestemd voor het tegemoetkomende verkeer rijdend motorrijtuig (personenauto),waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten eenbreuk in het linker bovenbeen en een breuk in de linker middenvoet en breuken in meerdere tenen, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld inartikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet
  3. Feit 2op 29 juli 2021 te Tholen als bestuurder van een voertuig(bestelauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanigeinvloed van een stof, te weten amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moestweten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte voor feit 1 op te leggen een gevangenisstraf van 10 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaar. Voor feit 2 vordert de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. 6.2 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft als bestuurder van een auto een aanrijding veroorzaakt terwijl hij onder invloed was van een forse hoeveelheid amfetamine. Hij heeft de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht door onder invloed van amfetamine achter het stuur te gaan zitten. Verdachte is niet op zijn eigen weghelft gebleven waardoor hij in aanrijding is gekomen met het voertuig van het slachtoffer. Door het ongeval dat verdachte heeft veroorzaakt heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij is na het ongeval naar het ziekenhuis gebracht waar zij aan haar verwondingen is geholpen. De ochtend na het ongeval is zij geopereerd aan een bovenbeenbreuk in haar linkerbeen. Verder bleek dat zij een breuk had in haar linker middenvoet en breuken in meerdere tenen. De artsen spraken van een revalidatietermijn van negen maanden. Reeds is duidelijk geworden dat deze termijn niet is gehaald. Ter zitting heeft het slachtoffer aangegeven dat ze nog steeds bezig is met revalideren en dat het niet goed met haar gaat. Ze is in januari jl. geopereerd en heeft nog steeds heel erg veel pijn. Het lijkt erop dat het herstel nog geruime tijd in beslag zal nemen. Verdachte heeft vanaf de dag van het verkeersongeval zowel in woorden (op een excuus aan het slachtoffer tijdens zijn politieverhoor na) als in daden laten blijken dat hij de ernst van zijn handelen onvoldoende inziet. Gelet op het zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag van verdachte en de strafverzwarende omstandigheid dat het ongeval mede is veroorzaakt doordat verdachte onder invloed van amfetamine verkeerde, alsook het gegeven dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij haar beslissing over de zwaarte van de straf aansluiting gezocht bij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht opgestelde oriëntatiepunten voor de Straftoemeting (LOVS oriëntatiepunten). Bij ernstige schuld aan een ongeval met als gevolg zwaar lichamelijk letsel, ingevolge artikel 6 van de WVW, wordt volgens de LOVS-oriëntatiepunten, bij een forse overschrijding van alcoholgebruik, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaar opgelegd. Gelet op de amfetaminewaarde die bij verdachte is gemeten en de forse overschrijding van de daarvoor geldende grenswaarde (vijf keer zoveel), ziet de rechtbank aanleiding hierbij aansluiting te zoeken. De rechtbank weegt alle feiten en omstandigheden mee in de straf. Ook het gegeven dat feit 1 is begaan in eendaadse samenloop met feit
  4. Alles afwegende acht de rechtbank – overeenkomstig de oriëntatiepunten – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 36 maanden. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: De eendaadse samenloop van: Feit 1 primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze wet; Feit 2: Overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden; - veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 36 maanden. Dit vonnis is gewezen door mr. A.B. Scheltema Beduin, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. S.H. van Nieuwkerk, rechters, in tegenwoordigheid van K. de Klerk-Van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 juni
  5. K. de Klerk-Van Rijs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te onderteken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.