RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/359 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , te [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels), en De heffingsambtenaar van de gemeente Vlissingen, de heffingsambtenaar. Procesverloop Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 december 2021 (de uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld. Overwegingen Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 365,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. In verband met het beroep op betalingsonmacht heeft de griffier bij brief van 22 maart 2022 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de betalingsonmacht te onderbouwen zowel van belanghebbende zelf als voor iedere bestuurder en aandeelhouder afzonderlijk. Belanghebbende heeft bij brief van 23 maart 2022 informatie verstrekt. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 13 april 2022 het beroep op betalingsonmacht afgewezen en in de gelegenheid gesteld het resterende bedrag aan griffierecht van € 361,35 te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Volgens gegevens van Track&Trace van PostNL is de brief afgehaald op een afhaallocatie van PostNL. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht gedeeltelijk is ontvangen. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft desgevraagd gesteld dat nog nimmer een geheel en al correct geformuleerde griffierechtnota is ontvangen. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. De griffierechtnota is conform artikel 6:17 van de Awb terecht verzonden naar de gemachtigde en gelet op de inhoud van de nota is correct uitvoering gegeven aan artikel 8:41, vierde lid, van de Awb. De nota in deze zaak bevat de naam van belanghebbende en het zaaknummer. Dat zaaknummer is samen met de ontvangstbevestiging van het beroep (waarin het aanslagnummer/kenmerk en in dit geval ook de WOZ-objecten zijn vermeld) te herleiden naar de aangevallen uitspraak op bezwaar en daarmee ook naar de WOZ-objecten. De stelling dat de nota niet correct zou zijn kan de rechtbank dan ook niet volgen. Opmerking verdient daarbij dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen. De rechtbank volgt de lijn van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat rechtspersonen eveneens een beroep kunnen doen op betalingsonmacht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.