RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/231047-20 vonnis van de meervoudige kamer van 31 januari 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [adres verdachte] , raadsman mr. T. van Riel, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 januari 2022, waarbij de officier van justitie, mr. J.F.M. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Tevens is op zitting de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] behandeld en heeft mr. Langenberg namens het slachtoffer een schriftelijke slachtofferverklaring voorgedragen. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 14 september 2020 te Breda, samen met een ander, [slachtoffer] met geweld of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot afgifte van een portemonnee, 10 euro en een gsm, dan wel dat hij, samen met een ander, deze goederen heeft gestolen met geweld of bedreiging met geweld. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de primair tenlastegelegde afpersing, door samen met medeverdachte [medeverdachte] met geweld en bedreiging met geweld aangever te dwingen tot afgifte van zijn gsm en € 10,=. Zij baseert zich daarbij, kortgezegd, op de verklaringen van aangever [slachtoffer] , het bij aangever geconstateerde letsel, de verklaring van getuige [getuige] dat hij de beroving heeft gezien en daarbij geschreeuw hoorde en de deels bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank verdachte dient vrij te spreken van het medeplegen van de primair tenlastegelegde afpersing. De subsidiair tenlastegelegde diefstal met geweld kan volgens de verdediging wel worden bewezen, waarbij de verdediging heeft aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen van het geven van een klap of vuistslag op één van de ogen van aangever, omdat verdachte stellig ontkent dit te hebben gedaan. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Vaststelling van de feiten Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder de deels bekennende verklaring van verdachte, stelt de rechtbank het volgende vast. Op 14 september 2020 rond 3:00 uur liep aangever [slachtoffer] in het park Valkenberg in Breda. Verdachte zag [slachtoffer] in het park lopen en is hem gaan volgen. Hierop is [slachtoffer] gaan rennen, waarna verdachte achter hem is aangerend. In de Sophiastraat heeft verdachte aan [slachtoffer] een trap en een vuistslag op de rug gegeven en tegen hem gezegd: ‘Waar is je geld? We slaan je knock-out’. Verdachte heeft vervolgens de telefoon uit de hand van [slachtoffer] gepakt om te kijken of [slachtoffer] geld bij zich had. Uit het telefoonhoesje heeft verdachte een biljet van € 10,00 gepakt. Verdachte heeft daarna de telefoon aan [slachtoffer] teruggegeven. Volgens [slachtoffer] is tijdens het rennen ook naar hem geroepen: ‘We gaan je pakken. Als je de politie belt, pakken we je’. De verklaring van [slachtoffer] dat er woorden naar hem zijn geschreeuwd, vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] dat hij bij het incident een hoop geschreeuw heeft gehoord. Verdachte heeft weliswaar op de zitting ontkend dat hij deze woorden naar [slachtoffer] heeft geroepen, maar de rechtbank heeft op dit punt geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] . Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onderhavige feit heeft gepleegd. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is hoe het bewezenverklaarde gekwalificeerd dient te worden. Kwalificatie Om tot een bewezenverklaring van afpersing te komen, is het noodzakelijk dat door geweld of bedreiging met geweld een ander wordt gedwongen tot afgifte van enig goed. In deze zaak is aangever niet gedwongen tot afgifte van enig goed, maar heeft verdachte de telefoon en het biljet van € 10,00 van [slachtoffer] afgenomen. De rechtbank is daarom, anders dan de officier van justitie en met de raadsman, van oordeel dat de primair tenlastegelegde afpersing niet bewezen kan worden. Zij zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken. Wel acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde feit, te weten diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld, wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het geven van een klap of vuistslag op één van de ogen van [slachtoffer] . Aangever stelt 100% zeker te zijn dat de man in het Feyenoordshirt hem op zijn oog heeft geslagen. Uit de rest van het dossier volgt dat [medeverdachte] een Feyenoordshirt droeg en verdachte niet. [medeverdachte] is daarnaast groter dan verdachte. Getuige [getuige] had goed zicht op de beroving en heeft verklaard dat de grote man er gewoon maar bij stond. [medeverdachte] heeft ontkent enig geweld te hebben gebruikt en verdachte zegt niet gezien te hebben dat [medeverdachte] aangever heeft geslagen. Daarmee is onvoldoende vast komen te staan dat [medeverdachte] aangever op zijn oog heeft geslagen. Uit het dossier blijkt voorts dat bij [slachtoffer] kort na het incident letsel is vastgesteld aan zijn aangezicht, maar dit letsel is niet zodanig onderscheidend dat daarvan kan worden vastgesteld dat het is ontstaan door een klap in het gezicht. Ten slotte kan niet worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die een klap in het gezicht van [slachtoffer] heeft gegeven. Ook valt niet uit te sluiten dat (een deel) van het letsel is veroorzaakt door de val van aangever. Voorts zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van het tezamen en in vereniging plegen van de diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld. Het staat vast dat [medeverdachte] achter verdachte en aangever aan is gelopen en vervolgens bij hem en aangever in de buurt is gaan staan. Die handelingen zijn, zonder aanvullende feiten en omstandigheden, onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht het subsidiaire wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 september 2020 te Breda op de openbare weg, zijnde de Sophiastraat, een biljet van 10 euro en een gsm die aan een ander dan aan verdachte toebehoorden, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld uit het achter die genoemde [slachtoffer] aan rennen en volgen van die [slachtoffer] en dreigend naar die [slachtoffer] roepen: "We gaan je pakken. Als je de politie belt, pakken we je" en geven aan die [slachtoffer] van een vuistslag op het lichaam en vervolgens aan die [slachtoffer] dwingend vragen: "Waar is je geld ? We slaan je knock out". Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat verdachte een sanctie uit het volwassenenstrafrecht dient te worden opgelegd. De officier van justitie vordert ten aanzien van het primair tenlastegelegde aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Volgens de officier van justitie is een forse gevangenisstraf conform de richtlijnen niet passend. De officier van justitie heeft bij haar eis rekening gehouden met het tijdsverloop, het bijna blanco strafblad van verdachte, de houding van verdachte op zitting en bij de politie en het feit dat verdachte sinds het feit heeft plaatsgevonden veel positieve stappen heeft gezet. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht verdachte volgens het adolescentenstrafrecht te berechten en hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Volgens de raadsman is een taakstraf passend, waarbij een matiging van de door de officier van justitie gevorderde taakstraf op zijn plaats is. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Ernst van het feit Verdachte heeft zich op 14 september 2020 schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Hij is in de nachtelijke uren in het Valkenbergpark te Breda achter een willekeurig slachtoffer aangerend en heeft hem vervolgens getrapt, geslagen op zijn lichaam en hem bedreigd. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer dwingend om geld gevraagd. Hij heeft de telefoon van het slachtoffer afgenomen en uit het telefoonhoesje een biljet van € 10,00 gepakt. Een dergelijk feit draagt bij aan in de samenleving heersende gevoelens van onveiligheid omdat mensen er getuige van zijn geweest of erover hebben gelezen in de krant of erover hebben gehoord op social media. Het moet bovendien voor aangever een zeer beangstigende en traumatische ervaring geweest zijn. Dit blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring, waarin het slachtoffer heeft aangegeven dat dit incident een enorme impact op hem heeft gehad. Het feit heeft bij het slachtoffer voor zodanige angsten gezorgd, dat hij therapie nodig heeft gehad om weer grip te krijgen op zijn dagelijks leven. Het slachtoffer had slaapproblemen en heeft langere tijd zijn werk niet kunnen doen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij dit heeft aangericht en destijds niet stilgestaan heeft bij de mogelijke ernstige gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Persoon van verdachte Naast de ernst van het feit houdt de rechtbank bij bepaling van de straf in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat hij, op enkele (verkeers-)overtredingen na, een vrijwel blanco strafblad heeft. Verder houdt de rechtbank rekening met de voorlichtingsrapporten die door Reclassering Nederland over verdachte zijn opgemaakt. De reclassering heeft op 15 september 2020 een rapportage over verdachte uitgebracht. Uit dit rapport blijkt onder meer dat verdachte is gediagnosticeerd met ADHD en PTSS. Volgens de reclassering was het alcoholgebruik van verdachte in die tijd problematisch. Verdachte heeft bij Villa Boerebont, waar hij destijds ook al begeleid woonde, voorzichtig eerste stappen gezet om zijn alcoholgebruik te verminderen. Op 23 november 2021 heeft de reclassering opnieuw een rapportage met betrekking tot verdachte opgemaakt, waaruit volgt dat bij verdachte, naast ADHD en PTSS, ook sprake is van een antisociale persoonlijkheids- en paranoïdestoornis. Ten tijde van het opmaken van de rapportage liep verdachte één jaar in een schorsingstoezicht. Binnen dit toezicht is verdachte begeleid door Villa Boerebont en heeft hij agressieregulatietherapie gevolgd bij GGZ Breburg. Jeugdbescherming Brabant heeft aangegeven dat verdachte ook een EMDR behandeling heeft gevolgd en dat zijn urinecontroles bij Villa Boerebont telkens negatief zijn. Verder is verdachte volgens de reclassering afsprakentrouw en heeft hij een baan gevonden. Volgens de reclassering is sprake van een gemiddeld recidiverisico en werkt verdachte voldoende aan gedragsverandering. Zij acht verdere interventies of toezicht in een verplicht kader niet noodzakelijk. Toepassing van het adolescentenstrafrecht? De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen, zoals de reclassering ook heeft geadviseerd in het rapport van 15 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.