RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/654 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaatsnaam 1] , eiser (gemachtigde: mr. L.N.C.A. Bukkems), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaatsnaam 2] (het college). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 16 december 2021, inzake het verbieden van een tweede uitweg. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser is het college bij het primaire besluit gebleven. De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de vertegenwoordigers van het college. Het college is vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] Beoordeling door de rechtbank 1.1 De rechtbank beoordeelt het verbieden van een tweede uitweg aan de [adres 1] 36 te [plaatsnaam 1] . Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 1.2 De rechtbank verklaard het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.3 De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 2Feiten 2.1 Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres 1] 36 te [plaatsnaam 1] . 2.2 Op 16 juni 2021 heeft eiser een melding gedaan dat hij een tweede uitweg wil realiseren bij zijn perceel. 2.3 Het college heeft het aanleggen van de tweede uitweg in het primaire besluit van 23 juni 2021 verboden, wegens strijd met artikel 2.12, derde lid, onder d, van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV). 2.4 Eiser heeft hiertegen op 27 juli 2021 bezwaar gemaakt. 2.5 Het college heeft het bezwaar bij bestreden besluit van 16 december 2021 ongegrond verklaard. 3Is er strijd met het gelijkheidsbeginsel? 3.1 De uitweg door het college is verboden op grond van artikel 2.12, derde lid, onder d, van de APV, omdat het perceel reeds door een andere uitweg wordt ontsloten en de tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. 3.2 Tussen partijen is in geschil of het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Eiser heeft betoogd dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel een tweede uitweg bij het perceel van eiser is verboden en bij het perceel aan de [adres 2] 2 te [plaatsnaam 2] wel een tweede uitweg door het college is toegestaan. 3.3 De rechtbank is van oordeel dat er geen strijd met het gelijkheidsbeginsel is. Zoals ter zitting is toegelicht namens het college is de tweede uitweg bij de [adres 2] 2 gerealiseerd binnen vijf meter van een kruispunt. Op grond van artikel 24, eerste lid, onder a, van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1999 mag een voortuig niet worden geparkeerd op een afstand van minder dan vijf meter van een kruispunt. De tweede uitweg bij de [adres 2] 2 gaat daarmee niet ten koste van een openbare parkeerplaats. Het realiseren van de tweede uitweg van het perceel van eiser, gaat wel ten koste van een parkeerplaats. Hierdoor kan niet kan worden gesproken van twee juridisch relevante gelijke gevallen. Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 29 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene plaatselijke verordening (APV) Artikel 2.12 van de APV 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: d. er sprake is van en uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) Artikel 24, eerste lid, onder a, van de RVV 1990 De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.