RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-262803-20 vonnis van de meervoudige kamer van 9 augustus 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] raadsvrouw mr. S.A.A.P. van Hees, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 juli 2022, waarbij de officier van justitie, mr. C. de Pagter, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte feit 1: een wapen, munitie en een patroonmagazijn voorhanden heeft gehad; feit 2: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad; feit 3: diverse horloges en geldbedragen heeft witgewassen. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op bevindingen, gedaan tijdens de doorzoeking van de auto en de woning van de vriendin van verdachte waar hij verbleef, op onderzoeksbevindingen aan de aangetroffen wapens en munitie en op de verklaringen van verdachte zelf en zijn vriendin [naam 10] . De door verdachte overgelegde stukken acht de officier van justitie onvoldoende ter onderbouwing van het standpunt van verdachte dat de inkomsten een legale herkomst hebben. 4.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte een pistool en de munitie heeft aangeschaft en voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van dit feit is geen vrijspraak bepleit. Wel is een beroep gedaan op psychische overmacht. Ten aanzien van feit 2 is vrijspraak bepleit. Daarbij is gewezen op de verklaring van de schoonmoeder van verdachte. Een aantal jaren geleden heeft zij twee stroomstootwapens gekregen waarvan zij er één aan haar dochter heeft gegeven. Verdachte wist hier niets van af. Ten aanzien van feit 3 is eveneens vrijspraak bepleit. Voor zover het betreft het bedrag van € 830,00 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag van de vriendin van verdachte is. Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde bedragen en horloges is, kort samengevat, gesteld dat uit het dossier niet kan worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen en horloges afkomstig zijn uit misdrijf. In het voordeel van verdachte spreekt dat hij, voor zover het betreft de bedragen die in de auto zijn aangetroffen, de politie zelf op die bedragen heeft gewezen, hen toestemming heeft gegeven voor de doorzoeking en uit eigen beweging over dat geld heeft verklaard. Door verdachte zijn tijdens zijn verhoren door de politie telkens namen en rugnummers gegeven om zodoende de politie in de gelegenheid te stellen het één en ander te verifiëren. De verklaringen van verdachte zijn naar de opvatting van de verdediging dan ook concreet en verifieerbaar genoeg. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten onderzoek te doen naar de door verdachte ingebrachte stukken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 De rechtbank acht, op grond van de hierna in het bewijsmiddelenoverzicht opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wapen, munitie en een patroonmagazijn voorhanden heeft gehad. Met betrekking tot het beroep op psychische overmacht verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna onder 5.2 wordt overwogen. Feit 2 Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte een stroomstootwapen in zijn bezit heeft gehad. Zij zal hem dan ook van dat feit vrijspreken. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij dacht dat het een zaklamp was. De schoonmoeder van verdachte heeft verklaard dat zij jaren geleden twee stroomstootwapens heeft gekregen van haar broer waarvan zij er één aan haar dochter heeft gegeven. Op geen enkele wijze blijkt dat verdachte wetenschap heeft gehad van dit stroomstootwapen, zodat evenmin kan worden bewezen dat hij dit wapen voorhanden heeft gehad. Feit 3 De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a of b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel moet komen vast te staan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het vervolgens het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderhavige dossier geen direct bewijs voor brondelicten naar voren komt. Daarom zal het hierboven omschreven toetsingskader gebruikt worden als uitgangspunt bij de beoordeling. Bij de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] en het voertuig waarin verdachte op 19 oktober 2020 reed werden grote contante geldbedragen inbeslaggenomen. In de auto droeg verdachte een bedrag van € 11.740,00 bij zich. In de slaapkamer van verdachte en zijn vriendin had hij een bedrag van in totaal € 20.090,00 liggen. Daarnaast werden 3 Rolex horloges aangetroffen. Verdachte heeft aangegeven dat dit geld en de horloges van hem zijn. De rechtbank zal moeten beoordelen of deze contante geldbedragen en horloges van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank stelt vast dat sprake is van grote contante geldbedragen, onder meer ook in grotere coupures van 100 en 500 euro (hetgeen blijkt uit een foto op bladzijde 28 van het einddossier). Verdachte reed in een gehuurde Duitse Mercedes E200 D. Daarnaast was verdachte in het bezit van een encrypted telefoon en een wapen en munitie. Het is een feit van algemene bekendheid dat het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich meebrengt. Ook het voorhanden hebben van zoveel contant geld in een woning brengt grote risico’s met zich mee en bovendien is het ook hoogst ongebruikelijk dat dergelijke grote geldbedragen thuis worden bewaard in het geval sprake is van geld dat op legale wijze is verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze omstandigheden van dien aard dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de geldbedragen en de dure horloges die verdachte voorhanden had, uit misdrijf afkomstig waren. Dit betekent dus dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die contante gelden en horloges. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder deze is verkregen, zoals het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Ter zitting heeft de officier van justitie de noodzaak benadrukt van een onderbouwing door verdachte met schriftelijke stukken. De rechtbank volgt de officier van justitie hier niet in. Zoals hiervoor al is overwogen mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Dit houdt niet in van de verdachte verlangd mag worden dat hij aannemelijk maakt dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Evenmin is vereist dat deze verklaring zonder meer van een schriftelijke onderbouwing moet worden voorzien. De verklaring dient concreet en verifieerbaar te zijn aan de hand waarvan de officier van justitie nader onderzoek kan doen. Verdachte heeft diverse verklaringen afgelegd, zowel bij de politie als ter zitting. Bij de politie heeft hij onder meer verklaard dat hij op de dag van zijn aanhouding van voertuig is gewisseld met [naam 1] . Daarbij werd hem een bedrag van € 8.000,00 aan commissievoorschot gegeven door [naam 1] voor het door verdachte op te zetten bedrijf. Met betrekking tot de in zijn portemonnee aangetroffen € 3.510,00 is verklaard dat dit zijn eigen spaargeld betreft en dat dit afkomstig is uit de omzet van verkoop van desinfectieboxjes voor telefoons. Over het in de slaapkamer aangetroffen geld heeft hij verklaard dat dit eveneens afkomstig is uit zijn omzet. Soms pakt hij hier wat van af om wat te kopen en soms vult hij dat weer aan. Een deel van het geld zou afkomstig zijn van [naam 2] die contante betalingen heeft gedaan in verband met een aan hem door verdachte verstrekte lening. Met betrekking tot de horloges heeft hij verklaard dat een vriend van hem geldproblemen had en dat hij daarom deze horloges van hem heeft gekocht voor de helft van de daadwerkelijke waarde. Met betrekking tot het bedrag van € 8.000,00 is de rechtbank van oordeel dat verdachte een voldoende concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven die is onderbouwd door middel van een brief van [naam 1] welke brief door de verdediging is overgelegd. Hoewel verdachte over de aard van het genoemde bedrag van € 8.000,00 niet heel consistent heeft verklaard, heeft het Openbaar Ministerie wel de gelegenheid gehad om [naam 1] hieromtrent te bevragen. Echter, nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte op dit punt door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat ten laste gelegde voorwerp (te weten een bedrag van € 8.000,00) uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat verdachte in zoverre moet worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat voor zover het betreft de overige bedragen, door verdachte een onvoldoende concrete en verifieerbare verklaring is afgelegd. De herkomst van die bedragen blijft vaag. Zowel bij de politie als ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij al het geld op één hoop gooit en niet (meer) weet waar wat van afkomstig is. Hieruit concludeert de rechtbank dat sprake is van een vermenging van gelden. Verdachte heeft wel enigszins aannemelijk gemaakt dat hij handelt in het buitenland in diverse landen, in verschillende functies en met betrekking tot verschillende producten. Zo is onder meer een stuk overgelegd uit Angola, te weten een brief van [naam 3] van bedrijf [naam 4] , waarin staat dat zal worden gehandeld in waardevolle metalen en handelsgoederen en een stuk van [naam 5] uit Marokko waarin is aangegeven dat verdachte één van de commercieel medewerkers is en commissie heeft op de Nederlandse markt. Ook heeft verdachte foto’s overgelegd van producten waarin hij handelde. Verdere concrete informatie heeft verdachte niet kunnen of willen geven. Zo heeft verdachte ter zitting geen begin van informatie kunnen geven over wanneer hij voor welk bedrijf werkzaamheden heeft verricht en over de vraag welke bedragen hij wanneer en voor wat heeft ontvangen en uitgegeven. Contactpersonen bij bedrijven heeft hij niet genoemd. Onduidelijk is wat de rol van verdachte is geweest bij zijn buitenlandse handel. Ter zitting is weliswaar door verdachte verklaard dat hij zelf in de jungle is geweest maar wat dat verder concreet heeft ingehouden, is onduidelijk gebleven. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat een en ander veelal contant is gegaan en dat hij nagenoeg geen administratie heeft bijgehouden, dan wel dat bepaalde stukken bij een auto-inbraak verloren zijn gegaan. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de vage informatie die door verdachte is verstrekt, nader onderzoek door het Openbaar Ministerie niet mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden van het Openbaar Ministerie niet verwacht mag wordt dat zij bij allerlei bedrijven in verschillende landen onderzoek gaat doen. Met betrekking tot de 3 Rolex horloges overweegt de rechtbank dat verdachte weliswaar een verklaring heeft afgelegd, inhoudende dat hij deze heeft gekocht van een vriend die hij uiteindelijk ter zitting ook bij naam heeft genoemd, maar onduidelijk is gebleven met welk geld verdachte die horloges van die vriend heeft gekocht. Verdachte heeft enkel verklaard dat hij al zijn geld op één hoop gooide. Ter onderbouwing van de stelling dat een deel van het geld afkomstig is uit de aflossingen van een door verdachte verstrekte lening is nog een brief overgelegd van [naam 2] van [naam 6] d.d. 19 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.