RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/3223 BRP uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaats 1] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder. Procesverloop In het besluit van 12 november 2020 (primair besluit) heeft het college eisers registratie in de Basisregistratie Personen (brp) op het adres [naam adres 1] 31A in [plaats 2] met ingang van 30 oktober 2019 beëindigd. In het besluit van 14 juni 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 28 juni 2022. Hierbij waren aanwezig eiser en namens het college mr. E.M.A. Vissers-van Es. Overwegingen 1. Feiten en omstandigheden Eiser stond met vier andere personen ingeschreven op het adres [naam adres 1] 31A in [plaats 2] . Eiser is eigenaar van deze woning. Naar aanleiding van een signaal van de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit van 28 oktober 2019 is het college een onderzoek gestart naar het adres [naam adres 1] 31A. Op 28 oktober 2019 heeft een huisbezoek op dit adres plaatsgevonden. Eén van de bewoners heeft een toezichthouder van het college binnengelaten en verklaard dat er vier personen op het adres woonachtig zijn, maar eiser niet. Op 30 oktober 2019 heeft het college aan eiser een brief gestuurd. Daarin is gevraagd een adreswijziging door te geven of, als eisers adresgegevens wel kloppen, de meegestuurde verklaring in te vullen en te ondertekenen. Daarnaast is het voornemen geuit om ambtshalve eisers adresgegevens in de brp te wijzigen als het college niets van eiser zou vernemen. (het voornemen) Bij brief van 30 maart 2020 heeft het college eiser uitgenodigd voor een gesprek op 13 april 2020, omdat het niet is gelukt hem te bereiken. Eiser heeft hierop gereageerd en onder meer aangegeven dat 13 april 2020 een feestdag is, dat hij voor wat betreft corona tot de risicogroep behoort en dat zijn correspondentieadres [naam adres 2] 14 in [plaats 1] is. Bij brief van 24 april 2020 – verzonden aan het correspondentieadres in [plaats 1] – heeft het college aan eiser verzocht om zijn nieuwe adres aan de betreffende gemeente door te geven. Bij brief van 30 september 2020 – verzonden aan het adres in [plaats 2] en volgens het college op 22 oktober 2021 ook aan het correspondentieadres in [plaats 1] – heeft het college aangegeven dat sinds het voornemen van 30 oktober 2019 is verzonden, eiser geen nieuw adres bekend heeft gemaakt en dat onduidelijk is gebleven waar hij het meest verblijft. Het college wenst daarover duidelijkheid en verzoekt aan eiser bewijs waaruit blijkt dat hij op het adres [naam adres 1] 31A woont. Het college heeft om een aantal stukken verzocht. Verder heeft het college aangegeven dat, indien blijkt dat eiser niet merendeels op het adres [naam adres 1] 31A verblijft en geen nieuw adres kan worden achterhaald, eisers adresregistratie zal moeten worden beëindigd. Eiser zal moeten worden geregistreerd als vertrokken uit Nederland naar: Onbekend. Met het primaire besluit heeft het college eisers registratie in de brp op het adres [naam adres 1] 31A met ingang van 30 oktober 2019 beëindigd, omdat is gebleken dat eiser niet woonachtig is op dit adres en het college na uitgebreid onderzoek geen nieuw adres heeft kunnen achterhalen. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Met ingang van 1 december 2020 staat eiser ingeschreven in de gemeente [plaats 1] . Met het bestreden besluit heeft het college eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het college stelt dat als aan de voorwaarden van artikel 2.22 van de Wet brp zijn voldaan, hij een betrokkene ambtshalve dient uit te schrijven uit de brp. Het gaat om de volgende voorwaarden: Betrokkene kan niet worden bereikt op het adres zoals geregistreerd in de brp Er is geen aangifte van adreswijziging of vertrek ontvangen Na gedegen onderzoek zijn geen nieuwe verblijfs- en adresgegevens bekend geworden In dit geval is volgens het college aan deze voorwaarden voldaan. Het college heeft een huisbezoek afgelegd op het adres [naam adres 1] 31A, maar heeft eiser op dat adres niet kunnen bereiken. Daarna heeft het college aan eiser verschillende malen verzocht om contact op te nemen en bewijsstukken over zijn woonadres te overleggen. Hij heeft dat echter nagelaten. Ook heeft eiser geen aangifte van verhuizing gedaan en een ander adres van eiser is het college niet bekend. 2. Beroepsgronden Eiser stelt dat hij vanaf circa mei/juni 2019 veel heeft gereisd in Oost-Europa en Frankrijk en vervolgens is vertrokken naar de Verenigde Staten. Hij is aan het begin van de coronatijd teruggekeerd en in quarantaine gegaan in [plaats 1] en [plaats 3] . Volgens eiser heeft hij op 16 april en 6 mei 2020 telefonisch en schriftelijk gereageerd op de brief van het college van 30 maart 2020. Daar is geen reactie van het college op gekomen. Ook heeft eiser geen reactie van het parkeerbedrijf en de raadsgriffie ontvangen op brieven van hem. Verder stelt eiser dat de brief van 30 oktober 2019 niet bestaat. Eiser heeft wel een brief, gedateerd 20 augustus 2019, ontvangen. Deze brief is, met uitzondering van de datum, gelijkluidend aan de brief van 30 oktober 2019. Daarnaast vraagt eiser of de betrokken brievenschrijvers wel de bevoegdheid daartoe hebben. Eiser eist onder meer dat het bestreden besluit wordt vernietigd, dat het mandaatsbesluit wordt overgelegd en een redelijke parkeerfaciliteit van eigenaar/verhuurder conform de bezoekersregeling. 3. Wettelijk kader Het toepasselijke wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 4. Oordeel van de rechtbank Wat moet worden beoordeeld? Het bestreden besluit gaat over de uitschrijving uit de brp van eiser van het adres [naam adres 1] 31A in [plaats 2] met ingang van 30 oktober 2019. Ter beoordeling ligt aan de rechtbank dan ook uitsluitend voor of het college eiser op goede gronden met ingang van die datum van dat adres heeft uitgeschreven uit de brp. Een groot deel van eisers beroepsgronden ziet echter niet op de uitschrijving uit de Brp. De rechtbank bedoelt hiermee gronden zoals de gronden over het niet reageren van het parkeerbedrijf en de raadsgriffie, drugsproblematiek, [naam adres 1] 32A, parkeervergunning/bereikbaarheid/toezicht, eigendom, discriminatie, openbare orde en misbruik van macht. Deze gronden vallen buiten de omvang van dit geding, De rechtbank zal over die gronden dan ook geen oordeel vellen. Met betrekking tot eisers vraag over de bevoegdheid van de brievenschrijvers en zijn verzoek om het mandaatsbesluit te overleggen, wijst de rechtbank op het Algemeen Mandaatbesluit [plaats 2] 2019 dat op internet is te raadplegen. Daaruit is de rechtbank niet gebleken dat de personen die aan eiser brieven hebben gestuurd daartoe niet bevoegd waren. Om welke periode gaat het? Het college heeft eiser uitgeschreven van het adres [naam adres 1] 31A. Eiser is verschillende keren verzocht om bewijsstukken aan te leveren over zijn woonadres, maar hij heeft aan dat verzoek niet voldaan. Het college heeft eiser vervolgens uitgeschreven met ingang van de datum van het voornemen, namelijk 30 oktober 2019. Eiser betwist dat er een voornemen is van 30 oktober 2019. Hij heeft wel een voornemen, gedateerd 20 augustus 2019, ontvangen. Als de rechtbank echter uit zou gaan van de datum 20 augustus 2019 zou dat in eisers nadeel zijn. Dat zou namelijk betekenen dat de uitschrijving al met ingang van 20 augustus 2019 in plaats van 30 oktober 2019 in zou gaan. De rechtbank gaat daarom uit van de datum 30 oktober 2019. De te beoordelen periode betreft derhalve de periode van 30 oktober 2019 (uitschrijfdatum [plaats 2] ) tot 1 december 2020 (inschrijfdatum [plaats 1] ). Wet brp en rechtspraak In artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp is bepaald dat als een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, het college ambtshalve zorgdraagt voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland. De hoogste beroepsinstantie in zaken als onderhavige, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), heeft in de uitspraak van 2 maart 2022 overwogen: ‘Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het doel van de Wet brp dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. In artikel 2.22 van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de brp. Er zijn drie voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.