RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/2248 WIA VV uitspraak van 2 juni 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 20 april 2022 van het UWV (bestreden besluit) inzake het (onder meer) over de periode van 7 november 2020 tot en met 17 januari 2021 herzien en terugvorderen van verzoekers recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en het over diezelfde periode intrekken en terugvorderen van verzoekers recht op een uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW). Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol en zal het verzoek moeten vallen binnen de reikwijdte van het bestreden besluit.
- De griffier heeft bij brief van 17 mei 2022 aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Daarbij is verzocht om een overzicht van verzoekers financiële situatie, bij voorkeur ondersteund door bewijsstukken. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan dit verzoek geen gevolg is gegeven. Verzoeker heeft op 20 mei 2022 telefonisch contact gezocht met de griffier en toegezegd stukken toe te zullen sturen. De griffier heeft echter binnen de gestelde termijn geen schriftelijke onderbouwing van het spoedeisend belang van verzoeker ontvangen.
- Gelet op het vorenstaande acht de voorzieningenrechter onvoldoende aangetoond dat er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 2 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.