← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2022:497

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/326606 / FA RK 17-612 Beschikking d.d. 12 januari 2022 op verzoek tot verbetering van een beschikking in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M.W.A. Verhaard, gevestigd te Vlissingen, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. M.C.M.E. Schijvenaars, gevestigd te Vlissingen. 1Het procesverloop 1.

  1. In deze zaak heeft de rechtbank bij beschikking van 3 maart 2017 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. 1.
  2. Bij brief van 1 november 2021 heeft mr. Verhaard namens de vrouw de rechtbank verzocht om de echtscheidingsbeschikking van 3 maart 2017 te herstellen. Volgens de vrouw heeft de rechtbank volstaan met het aanhechten van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan aan die beschikking, terwijl deze, zo begrijpt de rechtbank, in de beschikking hadden moeten worden opgenomen. De vrouw heeft gesteld dat er sprake is van een kennelijke vergissing. 1.
  3. De man is in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. 1.4 Omdat de rechter die de beschikking van 3 maart 2017 heeft gegeven inmiddels is gedefungeerd, wordt de onderhavige beschikking gegeven door een andere rechter. 2De beoordeling 2.
  4. De rechtbank vat het verzoek van de vrouw op als een verzoek tot verbetering van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). 2.
  5. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een kennelijke schrijffout, rekenfout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Volgens de Memorie van toelichting bij artikel 31 Rv is van een kennelijke rekenfout, schrijffout of ander kennelijke fout sprake ingeval van zeer duidelijke verschrijvingen of (reken)fouten waarbij voor partijen en derden direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing, en die zich voor eenvoudig herstel lenen. Dat is hier niet het geval. 2.
  6. Uit de stukken blijkt dat mr. Verhaard namens de vrouw bij het op 3 februari 2017 ingediende verzoekschrift heeft verzocht het door partijen ondertekende ouderschapsplan d.d. 23 januari 2017 en het echtscheidingsconvenant d.d. 17 januari 2017 te hechten aan de door de rechtbank te wijzen uitspraak. De vrouw heeft niet verzocht om opname van het convenant en het ouderschapsplan in de beschikking. 2.
  7. Het Procesreglement Scheiding vermeldt in paragraaf 11.1, onder verwijzing naar art. 819 Rv: “Bij toewijzing van een verzoek tot opneming van het convenant c.q. het ouderschapsplan in de beschikking, zal dit geschieden door opneming in het dictum van een bepaling dat het convenant c.q. het ouderschapsplan als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd onder verwijzing naar en met aanhechting van een kopie van het overgelegde convenant c.q. het ouderschapsplan aan de beschikking.” Art. 819 Rv luidt: “De rechter kan op verzoek van de echtgenoten of van een van hen de getroffen onderlinge regelingen, daaronder begrepen afspraken omtrent uitkeringen tot levensonderhoud en omtrent de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, geheel of gedeeltelijk in de beschikking opnemen. 2.
  8. De rechtbank stelt vast dat de vrouw destijds alleen heeft verzocht het convenant en het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en niet om deze in de beschikking op te nemen. Deze opname beoogt zij thans met de verzochte verbetering alsnog te bewerkstelligen. Hiervoor leent zich de procedure ex artikel 31 Rv niet. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. 3De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.E. Knops-Pijper, griffier, op 12 januari 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.