RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-054352-22 en 02-243569-20 (TUL) vonnis van de meervoudige kamer van 31 augustus 2022 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1986 te [Geboorteplaats] , wonende te [Adres] raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 augustus 2022, waarbij de officier van justitie, mr. A.I.M.M. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [Slachtoffer] heeft aangerand (feit 1), haar heeft beledigd (feit 2) en haar heeft mishandeld door hete thee over haar heen te gooien (feit 3). 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van feit 3 aangevoerd dat verdachte niet opzettelijk hete thee over aangeefster heeft heen heeft gegooid, maar dat hij werd vastgepakt door de zorgbeveiliger en dat door die beweging de thee op aangeefster terecht is gekomen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 Op basis van het dossier is vast komen te staan dat verdachte aangeefster, die op dat moment aan het werk was op de gesloten afdeling waar verdachte verbleef, heeft uitgescholden en intimiderende en seksueel getinte opmerkingen richting haar heeft gemaakt. Verdachte is tegen aangeefster aan gaan staan waarna aangeefster door verdachte is aangerand. Getuige [Getuige] , op dat moment werkzaam als zorgbeveiliger, heeft verdachte vervolgens beetgepakt en meegenomen. De broek van verdachte was op dat moment open en afgezakt. Over de aanranding verklaart aangeefster dat zij zag en voelde dat verdachte met zijn linkerwang tegen haar linkerwang aan ging staan en met zijn wang over haar wang wreef. Daarnaast verklaart aangeefster dat verdachte met zijn geslachtsdeel tegen haar been aanreed. Getuige [Getuige] verklaart dat hij heeft gezien dat verdachte aangeefster in het gezicht likte, haar bij haar hoofd vastpakte en haar hoofd tegen zijn kruis aandrukte. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn wang tegen de wang van aangeefster heeft gewreven (eerste gedachtestreepje van het tenlastegelegde feit). De verklaring van aangeefster wordt op dit punt voldoende ondersteund door de verklaring van getuige [Getuige] , die heeft gezien dat verdachte aangeefster bij haar hoofd heeft vastgepakt. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte rijdende bewegingen tegen het lichaam van aangeefster heeft gemaakt (tweede gedachtestreepje). Aangeefster verklaart in het aanvullend verhoor dat verdachte bovenop haar lag, maar dat zij niet zeker weet of verdachte tegen haar aan aan het rijden was omdat zij hem op dat moment van zich af probeerde te duwen. De verklaring van aangeefster vindt op dit punt verder geen steun in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank acht daarnaast niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar in de nek heeft gelikt (derde gedachtestreepje). Aangeefster heeft niet verklaard over deze handeling en uit het dossier blijkt dat enkel getuige [Getuige] dit zou hebben gezien, wat niet voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank zal verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken. Het feit dat verdachte seksueel getinte opmerkingen naar aangeefster heeft gemaakt, dicht tegen haar aan is gaan staan en nadien is gebleken dat zijn broek open en afgezakt was, maken dat de handelingen van verdachte in dit geval als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het wrijven met zijn wang tegen de wang van aangeefster naar zijn uiterlijke verschijningsvorm beschouwd moet worden als een handeling van seksuele aard die in de gegeven omstandigheden in strijd was met de sociaal-ethische norm. Dit is ook zo ervaren door aangeefster. De rechtbank acht verder bewezen dat verdachte haar tot het dulden van deze ontuchtige handeling heeft gedwongen. Verdachte heeft aangeefster onverwachts benaderd. Hierdoor heeft hij voorkomen dat aangeefster weerstand kon bieden tegen de door hem verrichte handeling en heeft hij haar door deze feitelijkheid gedwongen om de handeling tegen haar wil te ondergaan. Voor wat betreft het tenlastegelegde geweld en de bedreiging met geweld zal verdachte partieel worden vrijgesproken. Feit 2 Dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde bewoordingen heeft geuit vindt voldoende steun in de verklaring van getuige [Getuige] . Op basis van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank de ten laste gelegde belediging dan ook wettig en overtuigend bewezen. Feit 3 Aangeefster heeft verklaard dat verdachte, nadat hij haar had aangerand en werd weggehaald, hete thee over haar heen heeft gegooid. Getuige [Getuige] heeft hierover verklaard dat hij verdachte heeft beetgepakt en toen zag dat hij de thee richting aangeefster gooide. De juistheid van de lezing van verdachte, namelijk dat de thee over aangeefster is heen gevallen omdat hij werd vastgepakt, valt op basis van de verklaring van getuige [Getuige] niet uit te sluiten. Er is verder in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om vast te stellen dat verdachte opzettelijk hete thee over aangeefster heen heeft gegooid. Verdachte zal daarom van het onder 3 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 op 27 november 2021 te Breda, door een feitelijkheid, te weten door dicht tegen het lichaam van de hierna genoemde [Slachtoffer] te gaan staan en/of (na door die [Slachtoffer] (terug)geduwd te zijn) te blijven staan in de directe nabijheid van (het lichaam van) die [Slachtoffer] , [Slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten - het wrijven met zijn, verdachtes, wang tegen de wang van voornoemde [Slachtoffer] ; feit 2 op 27 november 2021 te Breda opzettelijk [Slachtoffer] , in haar tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door haar meermalen de woorden toe te voegen: "Bitch" en/of "Kankerhoer" en/of "Niet jou, jij bent kankerlelijk". Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. 5.2 Strafbaarheid van verdachte 5.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte niet geheel ontoerekeningsvatbaar kan worden verklaard. 5.2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was. 5.2.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 14 juli 2022 en het psychologisch rapport van 17 mei 2022 die over verdachte zijn opgemaakt. Aan beide onderzoeken heeft verdachte op geen enkele manier willen meewerken. Zowel de psycholoog als de reclassering hebben zich onthouden van een advies, waarbij de psycholoog om die reden niet heeft kunnen rapporteren over de toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank ziet hierdoor onvoldoende grond voor het oordeel dat de feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend en zij verwerpt daarom het verweer van de raadsman. Verdachte is dan ook strafbaar. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft primair gevorderd om de zaak aan te houden zodat de rechtbank gebruik kan maken van de bevoegdheid ex artikel 509g Wetboek van Strafvordering om te bevelen dat verdachte wordt geobserveerd. Verdachte heeft niet meegewerkt aan de onderzoeken waardoor er maar beperkte informatie beschikbaar is, onder meer over de toerekenbaarheid. De officier van justitie acht zich hierdoor onvoldoende voorgelicht om een passende eis te kunnen formuleren. Mocht de rechtbank hieraan voorbij gaan dan vordert zij subsidiair aan verdachte om op te leggen de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging, nu dit gelet op de ernst van de feiten en het hoge recidiverisico de enige mogelijkheid is. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich verzet tegen oplegging van TBS met dwangverpleging, omdat dat gelet op de ernst van de feiten een te verstrekkende maatregel is. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanranden van aangeefster, die op dat moment aan het werk was bij de [Naam en afdeling instelling] waar verdachte verbleef. Hij was het niet eens met de aanwijzingen die hij van aangeefster kreeg en heeft haar vervolgens beledigd, intimiderende en seksueel getinte opmerkingen gemaakt en is tegen haar aan gaan staan en heeft haar aangerand. Dit zijn nare feiten, temeer omdat aangeefster op dat moment aan het werk was als zorgverlener en er was om verdachte hulp en zorg te bieden. Verdachte heeft door haar aan te randen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Voor aangeefster is het hele voorval een zeer onprettige en grensoverschrijdende ervaring geweest waarbij verdachte te ver is gegaan, hetgeen zij ook in haar aangifte heeft omschreven. Met zijn handelen heeft verdachte aangeefster, maar ook de andere aanwezige zorgmedewerkers een angstige en onveilige situatie bezorgd, wat een belemmering kan vormen in de verdere uitvoering van hun werk in de toekomst en daarmee ook de maatschappij als geheel raakt. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 31 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.